Op weg naar de kunst

Bestel hier onze: Gids naar Nederlandse musea Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Boekrecensie: De Toorop Dynastie

22 december 2019

Een boek en een tentoonstelling over De Toorop Dynastie:
Het zal je moeder maar wezen.


Omslag van het besproken boek.

“Ik heb ze aan het kruis genageld,” schijnt Charley met grote tevredenheid gezegd te hebben toen het familieportret, De drie Generaties, klaar was waar ze jaren aan werkte. Links staat de gebeeldhouwde kop van de flamboyante Jan Toorop (1858-1928), haar vader, en rechts haar zoon, de introverte Edgar (Eddy) Fernhout (1912-1974). Er tussen, iets lager als de punt in een omgekeerde driehoek, Charley Toorop (1891-1955), Jans dochter en Eddy’s moeder. In het boek lezen we over de drie kunstenaars die zich afzetten tegen elkaar, maar ook niet konden ontsnappen aan de koepel van hun familiegeschiedenis.

Charley draagt haar witte schildersjas waardoor ze op een dokter lijkt. Ze heeft haar arm geheven met een scherpe hoek bij de elleboog, het penseel als een steekwapen in haar hand. Haar ogen zijn wijd opengesperd, haar zal niets ontgaan. Het is een schilderij waar weinig lucht in zit, letterlijk en figuurlijk.  Iedereen en alles staat gebeiteld, van de takken achter het raam en de kop van Jan tot aan de plooien in haar witte jas en de donkere schilderskiel van Eddy. De drie figuren worden verbonden door de twee raamsponningen die in een kruis boven Charley’s hoofd samenkomen en achter de mannen doorgaan.
Zelfs na Jans dood, zo laat ze zien, hoort hij nog steeds bij Charley. De kop van Jan werd in 1921 gemaakt door de beeldhouwer John Rädecker. Het is een voorstudie van het grote Toorop monument dat nog steeds aan de Haagse Jacob Catslaan staat.  Een bronzen afgietsel van De Kop staat in de entree van Museum Kranenburgh in Bergen (NH). Een kilometer van Kranenburgh staat De Vlerken, het huis dat Jan in 1921 door Piet Kramer voor Charley liet bouwen. Een atelierwoning in een late Amsterdamse stijl, geïnspireerd op Engelse cottages, wellicht een verwijzing naar Charley’s Engelse moeder?


Kop van Jan Toorop, John Rädecker (1937-2001), nu in de hal van Museum Kranenburgh, Bergen, Noord Holland

Het huis is hoger en ruimer dan een cottage. In de voorkant zit op de eerste verdieping het enorme atelierraam met witte sponningen. De fotografe Evan Besnyö, een tijd Charley’s schoondochter, maakte in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog talloze foto’s van haar en haar vrienden in de tuin en het huis.

Dynastie
Het boek De Toorop dynastie is een catalogus bij de gelijknamige expositie in het Stedelijk Museum Alkmaar (t/m 26 jan. 2020). Tegelijkertijd is het boek een overzicht van drie generaties kunstenaars uit de Toorop familie en overstijgt daardoor de tijdelijkheid van een tentoonstelling. Voor wie belangstelling heeft voor de Nederlandse figuratieve kunst uit de vorige eeuw is dit een interessant boek waarin naast de grote lijn, ook mooie kleine details staan zoals die opmerking van Charley, dat ze de beide mannen “aan het kruis” nagelde.

De vier auteurs (Mieke Reijnders, Marjan van Heteren, Caroline Roodenbrug en Marja Bosma) hebben vooral parallellen getrokken tussen de kunstenaars en aandacht geschonken aan de wisselwerking tussen de verschillende generaties.
Jan hielp Charley financieel steeds weer. Soms vroeg hij vertwijfeld af waar al dat geld bleef. Hij betaalde de kinderjuffrouw en het dienstmeisje die Charley nodig had om te kunnen schilderen. Hoewel ze een aantal zelfportretten met de kinderen maakte,  kwamen zij “er qua moederlijke aandacht al die jaren bekaaid vanaf. Ze moesten hun eigen weg zien te vinden,” schrijft Marja Bosma. Tegelijkertijd was Charley weer niet te beroerd om het grootste deel van haar erfenis in het tijdschrift, de internationale revue i10, van haar minnaar Arthur Müller Lehning te stoppen. Ze timmerde, net als haar vader, ook aan de weg. Ze zette bevriende kunstcritici in om haar eigen schilderijen en die van Eddy te bespreken.
Naast Bram Hammacher, de kunstcriticus en later directeur van het Kröller Müller, was de kunsthandelaar Jacques Goudstikker belangrijk voor haar ontwikkeling. Die wees haar op de kunst uit de zeventiende eeuw -een zwaartepunt in zijn bedrijf- en deed haar enkele ideeën aan de hand. Zo was er het zijn idee het schilderij de Kaasmarkt van Alkmaar, 1932/33,  te maken met de twee potige kaasdragers diagonaal in het beeld, tegenwoordig in het Stedelijk Museum Alkmaar. Hij bedacht ook het thema van de Maaltijd der vrienden,1932/33, tegenwoordig in het Boijmans. Op het laatste schilderij staan al die haar dierbaar zijn en in de buurt waren. Dat zijn haar kinderen met hun geliefden, Rietveld, Rädecker met vrouw en kind, Jani Roland Holst, Pyke Koch en Wim Oepts. Het is net zo’n programmatisch schilderij als de Drie Generaties dat later zou zijn. Hier staat ze aan de zijkant, maar hoort ze duidelijk bij de moderne kunstenaars en hun families.

Steunende moeder?
Jan Toorop liet Charley vrij in haar ontwikkeling, hij moedigde haar juist aan eigen wegen te zoeken. Zij legde echter een zware druk op Eddy’s ontwikkeling. Hij leerde schilderen van haar en zijn grootvader, maar zij keurde ronduit werk af zoals zijn ‘Mondrianisne’. Ze bedoelde Eddy’s schilderijen van interieurs waar op het eerste zicht vaak een te heldere geometrisch compositie aan ten grondslag ligt. Zij raade hem aan landschappen en stillevens te maken omdat die beter verkopen. In haar inleiding citeert Marjan van Heteren een brief van Eddy die hij na de dood van zijn moeder schreef aan een gemeenschappelijke vriend: “Zij heeft indirect toch veel voor mijn leven betekend, maar het was noodzakelijk ook wat dat betreft een zekere afstand te houden, omdat het zo’n sterke persoonlijkheid was, dat het bijna onvermijdelijk werd invloed te ondergaan of in reactie te gaan – geen van beide zijn goede gronden om je eigen werk uit te bouwen.”
Met deze kennis is het niet vreemd te zien dat Fernhout na de dood van zijn moeder in 1955 vooral  zeezichten maakte. Hierin ontwikkelde hij zijn eigen intense manier van schilderen die uiteindelijk in de abstractie uitmondde.

Exposities door de tijd heen
De tentoonstelling in Alkmaar is niet de eerste expositie waarin de drie generaties zijn verenigd. Het is leuk dat in het boek met kleine afbeeldingen de getoonde kunstwerken van de eerdere edities staan. Zo zie je ook wat vroeger belangrijk werd gevonden aan hun band. De noodzaak van zo’n tentoonstelling werd in het verleden ingegeven doordat Charley geld nodig had (in 1937) mede om Eddy te ondersteunen, zoals haar vader dat bij haar had gedaan, of omdat Eddy (in 1971) het artistieke verschil wilde laten zien.


Eerste zaal van de tentoonstelling in het Stedelijk Museum van Alkmaar De Toorop Dynastie, (Okt 2019 – jan 2020.)

Jan Toorop was op allerlei manieren een uitzondering in de kunstwereld van zijn tijd. Hij was, zo vond men, door zijn Indische achtergrond exotisch. Belangrijk ook was dat hij door nieuwsgierigheid, meer dan welke Nederlandse tijdgenoot dan ook, op de hoogte was van de internationale ontwikkelingen. Hij bracht de nieuwste kunststromingen mee uit Parijs, Londen en Brussel en liet zijn collega’s in Amsterdam en Den Haag hier ruimschoots in delen. Later zette hij jaarlijks  op de boulevard in Domburg tijdens de zomermaanden een afbreekbaar houten tentoonstellingszaaltje voor de verkoop van zijn eigen werk, maar ook van vrienden, toen nog onbekende jonge kunstenaars als Mondriaan, Gestel, Sluijters, Cornelis Spoor, Jacoba van Heemskerck en zijn dochter Charley.
Charley werd in haar Bergense huis net zo’n middelpunt van haar cirkel met vooral links georiënteerde schrijvers en beeldende kunstenaars. Ze maakte vooral stevige stillevens, treurige moeders met kinderen en liet gebeitelde arbeider-trots uit Zeeuws-Vlaanderen en elders zien. Na haar tia’s, aan het einde van de oorlog, schilderde ze jaarlijks de bloeiende appelboom uit haar achtertuin.
Edgar werd uiteindelijk leraar aan de Haarlemse Ateliers 63, een kunstenaarsopleiding die we nu als masterstudie zouden omschrijven. Hier kreeg ook hij een kring van jonge kunstenaars om zich heen die zich dankzij zijn engagement konden ontwikkelen. In dit didactisch steunende aspect ligt een duidelijke overeenkomst tussen de drie generaties. De verschillen blijven echter levensgroot zoals het boek wellicht ongewild laat zien.

Fenomenale omslag
De boeiendste van de drie kunstenaars vind ik Edgar Fernhout. In zijn vroegste werk zie je invloed van de oude fijnschilders, een trend die vaker voorkwam bij schilders tussen de twee wereldoorlogen. Maar hij werd geen magisch realistische schilder zoals Willink, Koch, of Hynckes. Hij observeerde en koos de moeilijkste onderwerpen zoals een open raam voor een wolkenloze hemel (1933). Tweemaal niets dus, een lichte lucht gekaderd door de raamsponningen, een gordijn en de zoldermuren. Dit mooie schilderij ontbreekt zowel op tentoonstelling, als ook in het boek. In zijn laatste periode, na de dood van zijn moeder, gebruikte Fernhout titels als Winter, Herfst en Kou. Het zijn volledig abstracte werken die bestaan uit toetsten, kleurnuances en korrelige verdikte likjes verf. In het vroege werk zien we de buitenkant van de dingen, zoals het open raam in de zoldermuur, de huid van fruit in stillevens of van mensen in zijn portretten; later zien we de weergave van zijn gevoel bij over de herfst, winter, kou. Die omslag is fenomenaal.


Foto uit het besproken boek De Toorop Dynastie.

In de tentoonstelling en in het boek wordt vaak, soms te vaak, op de overeenkomsten tussen de generaties gewezen. Zo staat er in het boek een Zee van Jan Toorop uit 1887 boven een Zee van Eddy  uit 1958. (In de tentoonstelling hangen ze ook boven elkaar.) In de context van beider werk spelen die schilderijen echter een andere rol. Bij Jan is het een snel schilderij , een van de vele impressionistische werken; voor Eddy werd De Zee, het draaipunt waardoor en waarin hij uiteindelijk de abstractie vond. Formele aspecten duiden niet altijd op dezelfde artistieke insteek, of doelen.

De Toorop Dynastie, bijdragen van Marja Bosma, Marjan van Heteren, Mieke Rijnders en Caroline Roodenburg; Uitgeverij Waanders & de Kunst, 128 pagina’s, paperback, 100 illustraties, Nederlands,
ISBN 978 94 6262 260 9, € 24,50.

T/m  26 januari 2020 is de tentoonstelling De Toorop Dynastie te zien in het Stedelijk Museum te Alkmaar. Het hier besproken boek is de catalogus van die tentoonstelling.

Boekrecensie: Liber Amicorum collectie RMO Leiden

18 juli 2018

Rijksmuseum van Oudheden Leiden, een geschiedenis van 200 jaar
Het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden bestaat 200 jaar. Dat wordt op een zeer opvallende en lovenswaardige manier gevierd met een groots opgezette tentoonstelling, veel activiteiten in het museum en een werkelijk enorm boek van 549 pagina’s dat min of meer chronologische laat zien wat en hoe er werd verzameld. Het formaat is te vergelijken met de Statenbijbel! Dit is dus niet zomaar een boek: het begint nog voor 1818, het jaar waarin de jonge Caspar Reuvens, (1793-1835) tot hoogleraar archeologie in Leiden werd benoemd en eindigt in het laatste hoofdstuk over ‘Onophoudelijk Onontbeerlijk Bezoek’ en het museum als ‘tentoonstellingsmachine‘.
Het museum vandaag dag, zo lijkt het wel, is een instelling waar je zoveel mogelijk mensen naartoe haalt om ze interessante dingen te laten zien. Vroeger was dat anders: het museum was een verzamelplek waar ‘cultuur’, in dit geval bodemvondsten en andere objecten uit verre culturen, werden opgeslagen en bestudeerd. Pas na enkele decennia mocht ook het publiek op geregelde tijden een kijkje komen nemen.

Omslag van het besproken boek

Het boek is een spannend verhaal met diverse verhaallijnen. Die verhaallijnen lopen soms door elkaar en soms overlappen ze elkaar. Een beetje slordig zou je denken, maar anderzijds past dit wel bij een complex overzicht. Het is eigenlijk een liber amicorum, niet voor een persoon, maar voor een belangrijk instituut gemaakt door en voor liefhebbers en kenners.
Het boek bestaat uit een enorm aantal artikelen geschreven door diverse auteurs die elk vanuit hun eigen kundigheid een verhaal hebben neergezet. Uit die verhalen kun je selecteren, zoals je in een groot wandelgebied een route volgt die je af en toe langs bekende wegen brengt. Door hoofdstukken kriskras door het boek heen te lezen kom je voortdurend interessante verhalen tegen. Het boek had Verhalen over een geschiedenis van 200 jaar kunnen heten, met dat verschil dat alle verhalen samen tot een complete geschiedenis leiden. Omdat de verzameling op twee manieren tot stand kwam, begint die geschiedenis al ruim voor 1818.
Enerzijds waren er kooplieden en diplomaten die al dan niet in opdracht in Noord-Afrika, Italie en Egypte eeuwenoude vondsten opkochten en naar Nederland stuurden. De eerste keer gebeurde dat eerder toevallkig. Er was de collectie van het Theatricum Anatonicum, waar men dus ter instructie met lichaamsdelen werkte. In 1621 kwamen een lijkkist met een complete mummie uit Egypte aan, een geschenk van een voormalige student die inmiddels koopman in het Midden-Oosten was geworden. Dit was het begin van de enorm rijke mumieverzameling.  De voormalige snijzaal werd omgedoopt in Kabinet van Anatomie en Rariteiten. Dat is nu dus het RMO.
Anderzijds waren er beroepsverzamelaars die hun collectie schonken of verkochten aan de Universiteit van Leiden. De eerste grote schenking was in 1739 door de rijke Amsterdammer, Gerard van Papenbroek, een uitgeweken Vlaming die ondermeer stukken uit de rijke collectie van Peter Paul Rubens, misschien wel de eerste grote verzamelaar van oudheden, in zijn bezit had.
Zo staat het boek vol met interessante verhalen over vazen, mummies, tempels en grafvondsten, over directeuren, verzamelaars, goden en godinnen, over opgravingen en aankopen en over museumbeleid in volijke en in donkere tijden. De redactie kon beschikken over een enorm archief. Daar is volop gebruik van gemaakt.

Twee foto’s uit het boek van de Nubische tempel uit Taffeh. Links gemaakt in 1900 door Jan H. Insinger  en rechts de tempel in het RMO, foto Eric van den Bandt. (Beide foto’s zijn uit het boek overgenomen.).

De Egyptische overheid schonk deze tempel aan Nederland als dank voor de hulp “aan de grote UNESCO-campagne uit de jaren zestig voor de redding van de Nubische monumenten in Egypte en Soedan, monumenten die anders door de bouw van de Hoge Stuwdam bij Assoean voorgoed verloren zouden zijn gegaan.” De prachtig gerestaureerde tempel is tegenwoordig een museumzaal en staat in de centrale hal van het museum.
In de plaatjes van beelden en scherven en de foto’s van verzamelaars en opgravingen komt de rijkdom van het museum tot leven. Die rijkdom is nauw verweven met het kolonale verleden toen westerse landen zomaar op koopjesjacht gaan, of konden gaan graven in het Midden-Oosten, van Tunesië tot Iran.
Dat kan niet meer. Er zijn nu wetten en internationale afspraken tegen de uitvoer (of roof) van cultureel erfgoed. Anderzijds, dankzij musea in Berlijn, London, Parijs, Boston en Leiden (!) is veel van dat werelderfgoed goed geconserveerd bewaard gebleven. Misschien had de redactie aan deze ethische kwestie nog wat aandacht kunnen besteden. Dan was het een meer dan compleet boek geworden.
KL

Titel boek:
Rijksmuseum van Oudheden Leiden. Een geschiedenis van 200 jaar. Redactie: Pieter Ter Keurs en Willem Wirtz. Zwolle: Waanders / Leiden: Rijksmuseum van Oudheden, 2018, 549 pp.
ISBN 978 94 62621756 NUR 682

Boekrecensie: Vroege Stillevens in Nederland en Vlaanderen

13 augustus 2017

Eten en drinken in de Nederlanden

Omslag van het besproken boek

Het Mauritshuis maakte in het voorjaar van 2017 een interessante tentoonstelling over het stilleven uit de vroege 17de eeuw. De catalogus is door zijn precisie en gedetailleerdheid een belangrijk standaardwerk geworden van een onderbelicht genre. Het belang van de schilders uit de Zuidelijke Nederlanden blijkt goot voor dit ‘typisch Hollandse’ onderwerp. Jammer genoeg is het boek inmiddels uitverkocht.

 

Het is onduidelijk wanneer de eerste stillevens zijn gemaakt. Waarschijnlijk is het genre langzamerhand ontstaan door het uitlichten van achtergrondtaferelen in de religieuze kunst. Op de schilderijen van Pieter Aertsen, de Amsterdammer die in Antwerpen werkte, zie je nog een overgang: uitgebreide buffetten met wild, gevogelte en fruit, maar ook ergens in een hoekje een bijbels tafereel. Belangrijke schilders in die tijd waren Frans Snijders en Jan Brueghel de Oude. Zij maakten zelfstandig stillevens en verzorgden de fauna en flora onder andere op schilderijen van Rubens, die zelf de (half-) naakten voor zijn rekening nam.
Dit soort schilderijen zijn niet het onderwerp van het boek ‘Slow Food’. Het Mauritshuis heeft het thema beperkt tot maaltijdstillevens in de periode 1600-1640. Wel wordt, ook in het boek, een apart hoofdstuk gewijd aan de voorlopers (‘Van keukentafereel tot schuttersstuk’) waarin de Duitse schilder Flegel, de eerder genoemde Pieter Aertsen, diens jongere Antwerpse neef Joachim Beuckelaer, zijn in Haarlem werkende zoon Pieter Pieterz, evenals de schilders Joachim Wtewael en Cornelis van Haarlem belangrijke sleutelfiguren zijn.

Verstilde schoonheid
De stillevens die in het boek worden besproken hebben een onwaarschijnlijk verstilde schoonheid en zijn nog steeds een lust voor het oog. Na de inleidende hoofdstukken worden 22 schilderijen gedetailleerd besproken en voorzien van een arsenaal aan voetnoten.
In het uiterst informatieve boek begint met de eerste stilleven schilders uit Antwerpen: Hieronymus Francken de Jonge, Osias Beert, Jacob van Hulsdonk, Jacob van Es en Clara Peeters. Zij specialiseerden zich zo omstreeks 1600 in bloemstukken, fruitstukken en maaltijdstillevens. Na een grote overzichtstentoonstelling in het Prado in Madrid (2016) is het goed dat er weer veel aandacht aan Clara Peeters wordt besteed. In tegenstelling tot haar mannelijke collega’s is over haar leven heel weinig bekend. Toch was zij in haar tijd erg productief en waarschijnlijk ook invloedrijk. Hoe belangrijk de kleinste details kunnen zijn, blijkt maar weer als in het werk van Clara Peeters bijvoorbeeld wordt aangetoond dat zij op meerdere schilderijen een klein zelfportretje, soms niet groter dan 5 millimeter, toevoegt. Wie zoekt, die vindt, maar je moet wel weten dat iets te zoeken is! Door de vele vergrotingen kunnen we dit soort interessante details goed bekijken en krijgen we nog meer bewondering voor deze vooral ook smakelijke stillevens.

Clara Peeters, Kazen, artisjokken en kersen, ca 1615

 

 

 

 

 

 

 

Van Antwerpen naar Haarlem
Na de Antwerpse hoogtij komt het Haarlemse stilleven tot ontplooiing. Dat had natuurlijk veel te maken met de vluchtelingenstroom die na de val van Antwerpen in 1685, de sluiting van de Schelde en de inquisitie op gang was gekomen. In de vroege 17e-eeuw bestond de helft van de Haarlemse bevolking uit Vlaamse immigranten. Onder hen aan aantal kunstenaars. Ook de kunstenaars van eigen bodem ondergingen de invloed van de Antwerpse voorbeelden, zoals Fred Meijer in zijn bijdrage over de wisselwerking schrijft. De grondleggers van het maaltijdstilleven in de Noordelijke Nederlanden, Floris van Dijck en Nicolaes Gillis, krijgen de nodige aandacht evenals natuurlijk de grootmeesters die daarna volgden: Pieter Claesz, in Antwerpen geboren, en Willem Heda. Mede door hen ontstond na 1640 een sterk nieuw genre met een overdaad aan eten, drank en kostbare voorwerpen.  Bij het kijken naar de schilderijen van Jan de Heem of Abraham van Beijeren loopt het water je nog steeds in de mond.

Floris van Dijck, Stilleven met kazen, 1610

 

 

 

 

 

 

Pronkstillevens
Dan stelt zich de vraag of dit vanitasstillevens waren, of pronkstillevens, met andere woorden, hadden ze een moraliserend boodschap (leef matig, denk aan de dood: alles is sterfelijk) of hingen de burgers graag een teken van welvaart en welbevinden aan hun muren? Met die vraag worstellen een aantal auteurs in het boek. Een doodshoofd, verwelkte bloemen, de brandende kaars, een zandloper, insecten ze verwijzen duidelijk naar het vergankelijke. Lange tijd werd die moraliserende iconografie als de boodschap gezien die de vrome 17e-eeuwer op de weg Gods dienden te houden. Maar de prachtige rijk gevulde tafel aan de muur werd waarschijnlijk ook als een statusverhogend teken van welvaart ervaren. misschien zelfs levensgenot? Het is moeilijk te geloven dat hoewel overwegend Calvinistisch Nederland die verleidelijke pronkmaaltijden alleen aan de muur had hangen vanwege de moralistische boodschap van bijvoorbeeld het half geleegde glas. Dat glas wekt in de beste stillevens ook de suggestie dat je zelf aan tafel zit, of hebt gezeten en het leegdronk. Dan wordt het toch een kwestie van heerlijk genieten van al dat moois.

Er ontstond een enthousiaste vraag naar deze stillevens. Hingen ze ook in streng Calvinistische huishoudens? Daar is geen uitsluitsel over. Het zou interessant zijn om daar onderzoek naar te doen. Met een studie van boedelbeschrijvingen zal het misschien mogelijk zijn de kunst aan de muur en de geloofsovertuiging aan elkaar te koppelen. Simon Schrama schreef (in Kunstzaken): de enorme stapels voedsel op de voorgrond en minieme verwijzingen naar de heilige tekst ver op de achtergrond zijn: “aanleiding tot onoplosbare vragen over het belang dat respectievelijk wordt gehecht aan het rijk van het heilige en het rijk van het profane.”
Tegenwoordig luistert dat onderscheid niet meer zo nauw en zal vrijwel iedereen van ‘Slow Food’ kunnen genieten. Alleen, en dat is vreselijk jammer, het boek is al uitverkocht, dus wie het wil hebben, moet nu al op zoek op de 2ehands boekensites!
Kristoffel Lieten /Opwegnaardekunst.nl
Titel: Slow Food. Hollandse en Vlaamse maaltijdstillevens 1600-1640.
Auteurs: Quentin Buvelot, Yvonne Bleyerveld, e.a.
216 pp.
Uitgever: Zwolle: Waanders & De Kunst  / Den Haag: Mauritshuis, 2017.
ISBN 9789462621169

Bewaren

Boekrecensie: Jan Roeland, een hommage

1 augustus 2017

Omslag van het besproken boek

 

 

 

 

Roeland was een zogenaamde “artist’s, artist”, een schilder wiens werk door kunstenaars, conservatoren, galeriehouders en pers zeer wordt gewaardeerd, maar die nooit bekend werd bij het grote publiek. Dat is jammer zoals ook blijkt uit het boekje dat na zijn dood is gepubliceerd.

 

Hij noemde zijn werk composities
In februari 2016 overleed de schilder Jan Roeland, hij werd 81. Zijn werk zit niet alleen in de vaste collecties van musea, maar ook particuliere verzamelaars en de bedrijfscollecties kochten zijn schilderijen graag bij de Amsterdamse Galerie Slewe, die al jaren ‘zijn’ galerie was. Eigenlijk vermoed ik dat Roeland er niet eens op uit was om “bekend” te worden. Hij besteedde veel aandacht aan zijn schilderijen, aan zijn leerlingen op de AKI, de Kunstopleiding in Enschede, maar niet aan zijn PR. Bovendien maakte hij geen werk dat snel klaar was. Als ik aan zijn eenden, planten, enveloppes en werktuigen denk weet ik het weer: Roeland was precies, exact, verfijnd en vaak grappig in onderwerp en uitvoering. Er werd regelmatig door goede auteurs over zijn werk geschreven en hij had een vaste kring om zich heen. Jan Roeland was een zachtmoedige man met een zeer onderkoelde vrolijke humor waarachter wellicht een grote melancholie schuilging.

eend,2006, gefotografeerd uit het boek

Wie ooit een schilderij van Roeland zag, vergeet dit niet zo licht. Zelfs bij een eerste snelle blik ben je verbaasd over de eenvoud van de bloem, eend, vaas, of hamer. Nooit eerder zag ik die zo subliem vertegenwoordigd. Niet geschilderd, want Roeland toont je de essentie van de idee bloem, eend, hamer. Eend van Roeland is een combinatie van alle eenden die hij ooit zag. Je ziet het meteen, dit is niet een eend, maar de eend. Wat is er nu banaler dan een eend die ik al brood gaf toen ik twee was en nog steeds brood geef nu ik oma ben? Roeland laat zien dat eend kwetsbaar is, onbenullig en alert.

eend, 2008, gefotografeerd uit het boek

Zo’n eend verschijnt in zijn werk, eigenlijk om te verdwijnen, tsjoep, zo weer weg, gelukkig kon hij hem nog net op tijd in zijn kern vastleggen, niet in de details. Wie zijn eenden ziet, ziet meteen dat dit een schilderij is. Een plat ding waarin hij vorm en kleur in evenwicht brengt. Hij noemde dan ook veel schilderijen Compositie. En meteen komen bij mij de associaties: Compositie = muziek; compositie =Mondriaan; compositie = abstract; compositie = zoeken & vinden, als je geluk hebt.

 

eend,2007, gefotografeerd uit het boek

Jan Roeland kende dat geluk, hij werkte, onderzocht, trok conclusies, zocht opnieuw en ging door. Soms, na een tijd als het oude bekend was geworden, kwamen er veranderingen. Dat zie je bij die eenden, tafels, hamers, vazen, bloemen. Hij laat het evenwicht zien tussen vorm en kleur en maat van het schilderij. De Rotterdamse Kunsthal maakte een hommage na zijn overlijden. Daar danken we dit boekje aan. Het is een eerbetoon van vrienden en van kenners. Rudi Fuchs, K. Schippers, Thijs Goldschmidt en collega schilders Ina van Zyl, Steven Aalders en Jan Andriesse verzorgden teksten, Andriesse een tekening. Vervolgens staan er 45 afbeeldingen van schilderijen in. Te weinig, maar toch een mooi overzicht: een hommage.

Koopt het, leen het en bekijk het ’s avonds voor het slapen gaan en ’s ochtends als het daglicht doorkomt.

Feitelijkheden:
Titel: Jan Roeland – een hommage (1935-2016)
Auteurs.: Rudi Fuchs, K.Schippers, Ina van Zyl e.a.
80 pagina’s, 45 illustraties in kleur
ISBN 9789462621374
Prijs: € 19,95

 

Bewaren

Bewaren

Wondertuinen

28 maart 2017

Omslag van het besproken boek

Omslag van het besproken boek

 

 

 

 

 

 

 

 

Kunst en macht waren en zijn stevig verbonden, omdat het eigenlijk een simpele kwestie van geld is. Het beste kunnen we dat nog steeds in paleizen en kerken zien. Daar vind je, buiten de musea, de meeste kunstwerken. De machthebbers begrepen al vroeg dat schilderijen en beelden- en niet alleen van zichzelf- hun status onderstrepen. In de loop van de tijd schoven de Konstkamers waar niet alleen kunst, maar ook interessante stenen, fossielen en machines werden getoond, uit de paleizen naar stadspaleizen en grachtenpanden.
Achter die huizen, rondom paleizen en buitens werden prachtige tuinen aangelegd waar fonteinen en beelden het verpozen nog aangenamer maken. Versailles is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld, maar een andere beroemde tuin, werd in de 17e eeuw in Praag door Albrecht Graaf von Wallenstein aangelegd. Hij liet er niet alleen een loggia met fresco’s en beelden bouwen, maar plaatste er ook een serie beelden van de Nederlandse beeldhouwer Adriaen de Vries. Die beelden riepen de hebzucht op van de Zweedse koningin Cristina. Zij maakte optimaal gebruik van het oorlogsrecht waarin de overwinnaar binnen 24 uur een overwonnen stad mocht plunderen. Het schijnt dat ze speciaal platbodems met de troepen mee liet varen om op het moment dat Praag was gevallen de beelden van De Vries uit de tuin van de inmiddels vermoorde Wallenstein te laten halen en weg te voeren. Die beelden staan dan nog steeds even buiten Stockholm in Drottningholm paleis. Niet meer in de tuin, daar staan, net zoals in Praag, kopieën, maar in het kleine De Vries Museum, in de voormalige stallen.

Tegenwoordig worden er geen oorlogen meer gevoerd om prachtige beeldenparken aan te  leggen, De vorsten en vorstinnen zijn vervangen door ondernemers met passie en geld. De voormalige directeur van de Amsterdamse Hermitage en de Nieuwe Kerk, Ernst Veen, kreeg bij zijn pensionering een reis naar Nieuw Zeeland aangeboden met een bezoek aan Gibbs Farm een enorm beeldenpark. Een wondertuin in het jargon van Veen. Dit bezoek werd de aanleiding voor een zesdelige televisieserie met dezelfde naam die in de laatste maanden van 2016 werd uitgezonden: Tuinen van Verwondering. Van de serie is weer bij Stichting de Verwondering in samenwerking met Waanders Uitgevers een boek uitgebracht: Wondertuinen.
Samen met voormalig Stedelijk Museum directeur Gijs van Tuijl en cameraman, fotograaf Paul Kramer bezocht hij zes enorme beeldentuinen. In het boek zijn ze chronologisch naar hun ontstaan gerangschikt, beginnend bij Storm King Art Center 70 miles noord oost van New York (geopend in 1960 tot aan Ekebergparken in Olso dat in 2013 openging. Onderling is er nogal wat verschil. Het maakt natuurlijk ook uit of je in het oerwoud van Brazilië een verbinding tussen de natuur en kunst wil maken met een open blik naar een nieuwe groene ecologie, of het terrein van je enorme Nieuw Zeelandse farm kunt laten aanpassen voor de beelden die je wilt neer laten zetten. In Oslo is een verloederd stadpark veranderd in een beeldenpark met het thema vrouw onderwerp en inspiratie voor de beelden en in Zuid Frankrijk staan de beelden tussen de biologische wijnstokken.
De ondernemers variëren van een voormalige mijndirecteur tot aan een fabrikant en van een makelaar in vastgoedprojecten tot een wijnbouwer. Ze delen allemaal een fascinatie met beelden, niet alle beeldende kunst, maar specifiek beeldhouwwerken soms tot en met architecturale ontwerpen. In Toscane worden oude gebouwen gecombineerd met nieuwe ontwerpen voor de beelden, in het Amerikaanse park werd een voormalige grintafgraving veranderd in een landschap met golven, stenen muren en meer dan manshoge glazen sarcofagen, in Oslo hangen tussen de hoge bomen twee glimmend zilveren gedraaide slakkenhuizen met elegante naakte benen en in Brazilië zette Olafur Eliasson een enorme spiegelende caleidoscoop, zijn Kijkmachine, in het bos.

De teksten van Ernst Veen en Gijs van Tuyl zijn wat breedsprakig en niet overal even nauwkeurig, ze gaan ook niet diep in op stromingen, of plaatsen de kunstwerken en hun makers niet anders dan in de omgeving van die prachtige wondertuinen. Het viel me op dat zowel bij de uitzendingen, als ook in de foto’s van het boek de beelden de minimal kunstenaar Sol Lewitt ongelofelijk goed in deze parken tot hun recht komen. In museumzalen zijn de gesloten schijnbaar eenvoudige structuren veel moeilijker te omvatten en te begrijpen dan in een beeldentuin. Hetzelfde geldt het werk van de Franse kunstenaar Daniel Buren, of voor een slingerende stalen muur van Serra. In Flevoland is een enorme betonnen sculptuur van Serra in een woonwijk is geplaatst. In dat park, die ruimte, heeft het toch iets benepens. Als je eenmaal de films en foto’s van Gibbs Farm hebt gezien waar de golvende donkerbruine stalen muur een echte scheidslijn in het landschap is en niet zoals in Zeewolde een obstakel in een te kleine ruimte.
Wondertuinen is door de foto’s een boek dat oproept tot reizen en bezoeken. Maar dan moet er wel goed gepland worden, lang niet alle tuinen hebben regelmatige openingstijden. Dit moet de lezer op het internet zoeken zonder een webadres, want daarin voorziet het boek niet. Het zou toch jammer zijn als je meer dan 24 uur hebt gereisd en eindelijk bij Gibbs Farm aankomt om dan pas te ontdekken dat je nog drie weken moet wachten op de twee maandelijkse geopende dagen en dat die waarschijnlijk ook al “fully booked” zijn!

Hieronder de links van alle parken uit het boek:
Storm King Art Center: http://stormking.org/about/

Fattoria di Celle/ Collezione Gori: http://www.goricoll.it/index.php?file=visitare

Gibbs Farm: http://www.gibbsfarm.org.nz/orrvideo.php

Instituto InHotim: http://www.inhotim.org.br/en/visit/schedules/

Chateau la Coste: http://chateau-la-coste.com/en/walk/

Ekebergparken Sculpture Park: http://ekebergparken.com/en/visit

 

Bewaren

Bewaren