Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Boekrecensie: Liber Amicorum collectie RMO Leiden

18 juli 2018

Rijksmuseum van Oudheden Leiden, een geschiedenis van 200 jaar

Het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden bestaat 200 jaar. Dat wordt op een zeer opvallende en lovenswaardige manier gevierd met een groots opgezette tentoonstelling, veel activiteiten in het museum en een werkelijk enorm boek van 549 pagina’s dat min of meer chronologische laat zien wat en hoe er werd verzameld. Het formaat is te vergelijken met de Statenbijbel! Dit is dus niet zomaar een boek: het begint nog voor 1818, het jaar waarin de jonge Caspar Reuvens, (1793-1835) tot hoogleraar archeologie in Leiden werd benoemd en eindigt in het laatste hoofdstuk over ‘Onophoudelijk Onontbeerlijk Bezoek’ en het museum als ‘tentoonstellingsmachine‘.
Het museum vandaag dag, zo lijkt het wel, is een instelling waar je zoveel mogelijk mensen naartoe haalt om ze interessante dingen te laten zien. Vroeger was dat anders: het museum was een verzamelplek waar ‘cultuur’, in dit geval bodemvondsten en andere objecten uit verre culturen, werden opgeslagen en bestudeerd. Pas na enkele decennia mocht ook het publiek op geregelde tijden een kijkje komen nemen.

Omslag van het besproken boek

Het boek is een spannend verhaal met diverse verhaallijnen. Die verhaallijnen lopen soms door elkaar en soms overlappen ze elkaar. Een beetje slordig zou je denken, maar anderzijds past dit wel bij een complex overzicht. Het is eigenlijk een liber amicorum, niet voor een persoon, maar voor een belangrijk instituut gemaakt door en voor liefhebbers en kenners.
Het boek bestaat uit een enorm aantal artikelen geschreven door diverse auteurs die elk vanuit hun eigen kundigheid een verhaal hebben neergezet. Uit die verhalen kun je selecteren, zoals je in een groot wandelgebied een route volgt die je af en toe langs bekende wegen brengt. Door hoofdstukken kriskras door het boek heen te lezen kom je voortdurend interessante verhalen tegen. Het boek had Verhalen over een geschiedenis van 200 jaar kunnen heten, met dat verschil dat alle verhalen samen tot een complete geschiedenis leiden. Omdat de verzameling op twee manieren tot stand kwam, begint die geschiedenis al ruim voor 1818.
Enerzijds waren er kooplieden en diplomaten die al dan niet in opdracht in Noord-Afrika, Italie en Egypte eeuwenoude vondsten opkochten en naar Nederland stuurden. De eerste keer gebeurde dat eerder toevallkig. Er was de collectie van het Theatricum Anatonicum, waar men dus ter instructie met lichaamsdelen werkte. In 1621 kwamen een lijkkist met een complete mummie uit Egypte aan, een geschenk van een voormalige student die inmiddels koopman in het Midden-Oosten was geworden. Dit was het begin van de enorm rijke mumieverzameling.  De voormalige snijzaal werd omgedoopt in Kabinet van Anatomie en Rariteiten. Dat is nu dus het RMO.
Anderzijds waren er beroepsverzamelaars die hun collectie schonken of verkochten aan de Universiteit van Leiden. De eerste grote schenking was in 1739 door de rijke Amsterdammer, Gerard van Papenbroek, een uitgeweken Vlaming die ondermeer stukken uit de rijke collectie van Peter Paul Rubens, misschien wel de eerste grote verzamelaar van oudheden, in zijn bezit had.
Zo staat het boek vol met interessante verhalen over vazen, mummies, tempels en grafvondsten, over directeuren, verzamelaars, goden en godinnen, over opgravingen en aankopen en over museumbeleid in volijke en in donkere tijden. De redactie kon beschikken over een enorm archief. Daar is volop gebruik van gemaakt.

Twee foto’s uit het boek van de Nubische tempel uit Taffeh. Links gemaakt in 1900 door Jan H. Insinger  en rechts de tempel in het RMO, foto Eric van den Bandt. (Beide foto’s zijn uit het boek overgenomen.).

De Egyptische overheid schonk deze tempel aan Nederland als dank voor de hulp “aan de grote UNESCO-campagne uit de jaren zestig voor de redding van de Nubische monumenten in Egypte en Soedan, monumenten die anders door de bouw van de Hoge Stuwdam bij Assoean voorgoed verloren zouden zijn gegaan.” De prachtig gerestaureerde tempel is tegenwoordig een museumzaal en staat in de centrale hal van het museum.
In de plaatjes van beelden en scherven en de foto’s van verzamelaars en opgravingen komt de rijkdom van het museum tot leven. Die rijkdom is nauw verweven met het kolonale verleden toen westerse landen zomaar op koopjesjacht gaan, of konden gaan graven in het Midden-Oosten, van Tunesië tot Iran.
Dat kan niet meer. Er zijn nu wetten en internationale afspraken tegen de uitvoer (of roof) van cultureel erfgoed. Anderzijds, dankzij musea in Berlijn, London, Parijs, Boston en Leiden (!) is veel van dat werelderfgoed goed geconserveerd bewaard gebleven. Misschien had de redactie aan deze ethische kwestie nog wat aandacht kunnen besteden. Dan was het een meer dan compleet boek geworden.
KL

NB.
2018 is een feestjaar dat groots wordt gevierd in het museum. Op de website staat het programma: activiteiten 2018 in het museum
De tijdelijke tentoonstelling die naar aanleiding van het boek werd gemaakt, loopt nog tot en met 2 september 2018

Titel boek:
Rijksmuseum van Oudheden Leiden. Een geschiedenis van 200 jaar. Redactie: Pieter Ter Keurs en Willem Wirtz. Zwolle: Waanders / Leiden: Rijksmuseum van Oudheden, 2018, 549 pp.
ISBN 978 94 62621756 NUR 682

Boekrecensie: Vroege Stillevens in Nederland en Vlaanderen

13 augustus 2017

Eten en drinken in de Nederlanden

Omslag van het besproken boek

Het Mauritshuis maakte in het voorjaar van 2017 een interessante tentoonstelling over het stilleven uit de vroege 17de eeuw. De catalogus is door zijn precisie en gedetailleerdheid een belangrijk standaardwerk geworden van een onderbelicht genre. Het belang van de schilders uit de Zuidelijke Nederlanden blijkt goot voor dit ‘typisch Hollandse’ onderwerp. Jammer genoeg is het boek inmiddels uitverkocht.

 

Het is onduidelijk wanneer de eerste stillevens zijn gemaakt. Waarschijnlijk is het genre langzamerhand ontstaan door het uitlichten van achtergrondtaferelen in de religieuze kunst. Op de schilderijen van Pieter Aertsen, de Amsterdammer die in Antwerpen werkte, zie je nog een overgang: uitgebreide buffetten met wild, gevogelte en fruit, maar ook ergens in een hoekje een bijbels tafereel. Belangrijke schilders in die tijd waren Frans Snijders en Jan Brueghel de Oude. Zij maakten zelfstandig stillevens en verzorgden de fauna en flora onder andere op schilderijen van Rubens, die zelf de (half-) naakten voor zijn rekening nam.
Dit soort schilderijen zijn niet het onderwerp van het boek ‘Slow Food’. Het Mauritshuis heeft het thema beperkt tot maaltijdstillevens in de periode 1600-1640. Wel wordt, ook in het boek, een apart hoofdstuk gewijd aan de voorlopers (‘Van keukentafereel tot schuttersstuk’) waarin de Duitse schilder Flegel, de eerder genoemde Pieter Aertsen, diens jongere Antwerpse neef Joachim Beuckelaer, zijn in Haarlem werkende zoon Pieter Pieterz, evenals de schilders Joachim Wtewael en Cornelis van Haarlem belangrijke sleutelfiguren zijn.

Verstilde schoonheid
De stillevens die in het boek worden besproken hebben een onwaarschijnlijk verstilde schoonheid en zijn nog steeds een lust voor het oog. Na de inleidende hoofdstukken worden 22 schilderijen gedetailleerd besproken en voorzien van een arsenaal aan voetnoten.
In het uiterst informatieve boek begint met de eerste stilleven schilders uit Antwerpen: Hieronymus Francken de Jonge, Osias Beert, Jacob van Hulsdonk, Jacob van Es en Clara Peeters. Zij specialiseerden zich zo omstreeks 1600 in bloemstukken, fruitstukken en maaltijdstillevens. Na een grote overzichtstentoonstelling in het Prado in Madrid (2016) is het goed dat er weer veel aandacht aan Clara Peeters wordt besteed. In tegenstelling tot haar mannelijke collega’s is over haar leven heel weinig bekend. Toch was zij in haar tijd erg productief en waarschijnlijk ook invloedrijk. Hoe belangrijk de kleinste details kunnen zijn, blijkt maar weer als in het werk van Clara Peeters bijvoorbeeld wordt aangetoond dat zij op meerdere schilderijen een klein zelfportretje, soms niet groter dan 5 millimeter, toevoegt. Wie zoekt, die vindt, maar je moet wel weten dat iets te zoeken is! Door de vele vergrotingen kunnen we dit soort interessante details goed bekijken en krijgen we nog meer bewondering voor deze vooral ook smakelijke stillevens.

Clara Peeters, Kazen, artisjokken en kersen, ca 1615

 

 

 

 

 

 

 

Van Antwerpen naar Haarlem
Na de Antwerpse hoogtij komt het Haarlemse stilleven tot ontplooiing. Dat had natuurlijk veel te maken met de vluchtelingenstroom die na de val van Antwerpen in 1685, de sluiting van de Schelde en de inquisitie op gang was gekomen. In de vroege 17e-eeuw bestond de helft van de Haarlemse bevolking uit Vlaamse immigranten. Onder hen aan aantal kunstenaars. Ook de kunstenaars van eigen bodem ondergingen de invloed van de Antwerpse voorbeelden, zoals Fred Meijer in zijn bijdrage over de wisselwerking schrijft. De grondleggers van het maaltijdstilleven in de Noordelijke Nederlanden, Floris van Dijck en Nicolaes Gillis, krijgen de nodige aandacht evenals natuurlijk de grootmeesters die daarna volgden: Pieter Claesz, in Antwerpen geboren, en Willem Heda. Mede door hen ontstond na 1640 een sterk nieuw genre met een overdaad aan eten, drank en kostbare voorwerpen.  Bij het kijken naar de schilderijen van Jan de Heem of Abraham van Beijeren loopt het water je nog steeds in de mond.

Floris van Dijck, Stilleven met kazen, 1610

 

 

 

 

 

 

Pronkstillevens
Dan stelt zich de vraag of dit vanitasstillevens waren, of pronkstillevens, met andere woorden, hadden ze een moraliserend boodschap (leef matig, denk aan de dood: alles is sterfelijk) of hingen de burgers graag een teken van welvaart en welbevinden aan hun muren? Met die vraag worstellen een aantal auteurs in het boek. Een doodshoofd, verwelkte bloemen, de brandende kaars, een zandloper, insecten ze verwijzen duidelijk naar het vergankelijke. Lange tijd werd die moraliserende iconografie als de boodschap gezien die de vrome 17e-eeuwer op de weg Gods dienden te houden. Maar de prachtige rijk gevulde tafel aan de muur werd waarschijnlijk ook als een statusverhogend teken van welvaart ervaren. misschien zelfs levensgenot? Het is moeilijk te geloven dat hoewel overwegend Calvinistisch Nederland die verleidelijke pronkmaaltijden alleen aan de muur had hangen vanwege de moralistische boodschap van bijvoorbeeld het half geleegde glas. Dat glas wekt in de beste stillevens ook de suggestie dat je zelf aan tafel zit, of hebt gezeten en het leegdronk. Dan wordt het toch een kwestie van heerlijk genieten van al dat moois.

Er ontstond een enthousiaste vraag naar deze stillevens. Hingen ze ook in streng Calvinistische huishoudens? Daar is geen uitsluitsel over. Het zou interessant zijn om daar onderzoek naar te doen. Met een studie van boedelbeschrijvingen zal het misschien mogelijk zijn de kunst aan de muur en de geloofsovertuiging aan elkaar te koppelen. Simon Schrama schreef (in Kunstzaken): de enorme stapels voedsel op de voorgrond en minieme verwijzingen naar de heilige tekst ver op de achtergrond zijn: “aanleiding tot onoplosbare vragen over het belang dat respectievelijk wordt gehecht aan het rijk van het heilige en het rijk van het profane.”
Tegenwoordig luistert dat onderscheid niet meer zo nauw en zal vrijwel iedereen van ‘Slow Food’ kunnen genieten. Alleen, en dat is vreselijk jammer, het boek is al uitverkocht, dus wie het wil hebben, moet nu al op zoek op de 2ehands boekensites!
Kristoffel Lieten /Opwegnaardekunst.nl
Titel: Slow Food. Hollandse en Vlaamse maaltijdstillevens 1600-1640.
Auteurs: Quentin Buvelot, Yvonne Bleyerveld, e.a.
216 pp.
Uitgever: Zwolle: Waanders & De Kunst  / Den Haag: Mauritshuis, 2017.
ISBN 9789462621169

Bewaren

Boekrecensie: Jan Roeland, een hommage

1 augustus 2017

Omslag van het besproken boek

 

 

 

 

Roeland was een zogenaamde “artist’s, artist”, een schilder wiens werk door kunstenaars, conservatoren, galeriehouders en pers zeer wordt gewaardeerd, maar die nooit bekend werd bij het grote publiek. Dat is jammer zoals ook blijkt uit het boekje dat na zijn dood is gepubliceerd.

 

Hij noemde zijn werk composities
In februari 2016 overleed de schilder Jan Roeland, hij werd 81. Zijn werk zit niet alleen in de vaste collecties van musea, maar ook particuliere verzamelaars en de bedrijfscollecties kochten zijn schilderijen graag bij de Amsterdamse Galerie Slewe, die al jaren ‘zijn’ galerie was. Eigenlijk vermoed ik dat Roeland er niet eens op uit was om “bekend” te worden. Hij besteedde veel aandacht aan zijn schilderijen, aan zijn leerlingen op de AKI, de Kunstopleiding in Enschede, maar niet aan zijn PR. Bovendien maakte hij geen werk dat snel klaar was. Als ik aan zijn eenden, planten, enveloppes en werktuigen denk weet ik het weer: Roeland was precies, exact, verfijnd en vaak grappig in onderwerp en uitvoering. Er werd regelmatig door goede auteurs over zijn werk geschreven en hij had een vaste kring om zich heen. Jan Roeland was een zachtmoedige man met een zeer onderkoelde vrolijke humor waarachter wellicht een grote melancholie schuilging.

eend,2006, gefotografeerd uit het boek

Wie ooit een schilderij van Roeland zag, vergeet dit niet zo licht. Zelfs bij een eerste snelle blik ben je verbaasd over de eenvoud van de bloem, eend, vaas, of hamer. Nooit eerder zag ik die zo subliem vertegenwoordigd. Niet geschilderd, want Roeland toont je de essentie van de idee bloem, eend, hamer. Eend van Roeland is een combinatie van alle eenden die hij ooit zag. Je ziet het meteen, dit is niet een eend, maar de eend. Wat is er nu banaler dan een eend die ik al brood gaf toen ik twee was en nog steeds brood geef nu ik oma ben? Roeland laat zien dat eend kwetsbaar is, onbenullig en alert.

eend, 2008, gefotografeerd uit het boek

Zo’n eend verschijnt in zijn werk, eigenlijk om te verdwijnen, tsjoep, zo weer weg, gelukkig kon hij hem nog net op tijd in zijn kern vastleggen, niet in de details. Wie zijn eenden ziet, ziet meteen dat dit een schilderij is. Een plat ding waarin hij vorm en kleur in evenwicht brengt. Hij noemde dan ook veel schilderijen Compositie. En meteen komen bij mij de associaties: Compositie = muziek; compositie =Mondriaan; compositie = abstract; compositie = zoeken & vinden, als je geluk hebt.

 

eend,2007, gefotografeerd uit het boek

Jan Roeland kende dat geluk, hij werkte, onderzocht, trok conclusies, zocht opnieuw en ging door. Soms, na een tijd als het oude bekend was geworden, kwamen er veranderingen. Dat zie je bij die eenden, tafels, hamers, vazen, bloemen. Hij laat het evenwicht zien tussen vorm en kleur en maat van het schilderij. De Rotterdamse Kunsthal maakte een hommage na zijn overlijden. Daar danken we dit boekje aan. Het is een eerbetoon van vrienden en van kenners. Rudi Fuchs, K. Schippers, Thijs Goldschmidt en collega schilders Ina van Zyl, Steven Aalders en Jan Andriesse verzorgden teksten, Andriesse een tekening. Vervolgens staan er 45 afbeeldingen van schilderijen in. Te weinig, maar toch een mooi overzicht: een hommage.

Koopt het, leen het en bekijk het ’s avonds voor het slapen gaan en ’s ochtends als het daglicht doorkomt.

Feitelijkheden:
Titel: Jan Roeland – een hommage (1935-2016)
Auteurs.: Rudi Fuchs, K.Schippers, Ina van Zyl e.a.
80 pagina’s, 45 illustraties in kleur
ISBN 9789462621374
Prijs: € 19,95

 

Bewaren

Bewaren

Wondertuinen

28 maart 2017

Omslag van het besproken boek

Omslag van het besproken boek

 

 

 

 

 

 

 

 

Kunst en macht waren en zijn stevig verbonden, omdat het eigenlijk een simpele kwestie van geld is. Het beste kunnen we dat nog steeds in paleizen en kerken zien. Daar vind je, buiten de musea, de meeste kunstwerken. De machthebbers begrepen al vroeg dat schilderijen en beelden- en niet alleen van zichzelf- hun status onderstrepen. In de loop van de tijd schoven de Konstkamers waar niet alleen kunst, maar ook interessante stenen, fossielen en machines werden getoond, uit de paleizen naar stadspaleizen en grachtenpanden.
Achter die huizen, rondom paleizen en buitens werden prachtige tuinen aangelegd waar fonteinen en beelden het verpozen nog aangenamer maken. Versailles is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld, maar een andere beroemde tuin, werd in de 17e eeuw in Praag door Albrecht Graaf von Wallenstein aangelegd. Hij liet er niet alleen een loggia met fresco’s en beelden bouwen, maar plaatste er ook een serie beelden van de Nederlandse beeldhouwer Adriaen de Vries. Die beelden riepen de hebzucht op van de Zweedse koningin Cristina. Zij maakte optimaal gebruik van het oorlogsrecht waarin de overwinnaar binnen 24 uur een overwonnen stad mocht plunderen. Het schijnt dat ze speciaal platbodems met de troepen mee liet varen om op het moment dat Praag was gevallen de beelden van De Vries uit de tuin van de inmiddels vermoorde Wallenstein te laten halen en weg te voeren. Die beelden staan dan nog steeds even buiten Stockholm in Drottningholm paleis. Niet meer in de tuin, daar staan, net zoals in Praag, kopieën, maar in het kleine De Vries Museum, in de voormalige stallen.

Tegenwoordig worden er geen oorlogen meer gevoerd om prachtige beeldenparken aan te  leggen, De vorsten en vorstinnen zijn vervangen door ondernemers met passie en geld. De voormalige directeur van de Amsterdamse Hermitage en de Nieuwe Kerk, Ernst Veen, kreeg bij zijn pensionering een reis naar Nieuw Zeeland aangeboden met een bezoek aan Gibbs Farm een enorm beeldenpark. Een wondertuin in het jargon van Veen. Dit bezoek werd de aanleiding voor een zesdelige televisieserie met dezelfde naam die in de laatste maanden van 2016 werd uitgezonden: Tuinen van Verwondering. Van de serie is weer bij Stichting de Verwondering in samenwerking met Waanders Uitgevers een boek uitgebracht: Wondertuinen.
Samen met voormalig Stedelijk Museum directeur Gijs van Tuijl en cameraman, fotograaf Paul Kramer bezocht hij zes enorme beeldentuinen. In het boek zijn ze chronologisch naar hun ontstaan gerangschikt, beginnend bij Storm King Art Center 70 miles noord oost van New York (geopend in 1960 tot aan Ekebergparken in Olso dat in 2013 openging. Onderling is er nogal wat verschil. Het maakt natuurlijk ook uit of je in het oerwoud van Brazilië een verbinding tussen de natuur en kunst wil maken met een open blik naar een nieuwe groene ecologie, of het terrein van je enorme Nieuw Zeelandse farm kunt laten aanpassen voor de beelden die je wilt neer laten zetten. In Oslo is een verloederd stadpark veranderd in een beeldenpark met het thema vrouw onderwerp en inspiratie voor de beelden en in Zuid Frankrijk staan de beelden tussen de biologische wijnstokken.
De ondernemers variëren van een voormalige mijndirecteur tot aan een fabrikant en van een makelaar in vastgoedprojecten tot een wijnbouwer. Ze delen allemaal een fascinatie met beelden, niet alle beeldende kunst, maar specifiek beeldhouwwerken soms tot en met architecturale ontwerpen. In Toscane worden oude gebouwen gecombineerd met nieuwe ontwerpen voor de beelden, in het Amerikaanse park werd een voormalige grintafgraving veranderd in een landschap met golven, stenen muren en meer dan manshoge glazen sarcofagen, in Oslo hangen tussen de hoge bomen twee glimmend zilveren gedraaide slakkenhuizen met elegante naakte benen en in Brazilië zette Olafur Eliasson een enorme spiegelende caleidoscoop, zijn Kijkmachine, in het bos.

De teksten van Ernst Veen en Gijs van Tuyl zijn wat breedsprakig en niet overal even nauwkeurig, ze gaan ook niet diep in op stromingen, of plaatsen de kunstwerken en hun makers niet anders dan in de omgeving van die prachtige wondertuinen. Het viel me op dat zowel bij de uitzendingen, als ook in de foto’s van het boek de beelden de minimal kunstenaar Sol Lewitt ongelofelijk goed in deze parken tot hun recht komen. In museumzalen zijn de gesloten schijnbaar eenvoudige structuren veel moeilijker te omvatten en te begrijpen dan in een beeldentuin. Hetzelfde geldt het werk van de Franse kunstenaar Daniel Buren, of voor een slingerende stalen muur van Serra. In Flevoland is een enorme betonnen sculptuur van Serra in een woonwijk is geplaatst. In dat park, die ruimte, heeft het toch iets benepens. Als je eenmaal de films en foto’s van Gibbs Farm hebt gezien waar de golvende donkerbruine stalen muur een echte scheidslijn in het landschap is en niet zoals in Zeewolde een obstakel in een te kleine ruimte.
Wondertuinen is door de foto’s een boek dat oproept tot reizen en bezoeken. Maar dan moet er wel goed gepland worden, lang niet alle tuinen hebben regelmatige openingstijden. Dit moet de lezer op het internet zoeken zonder een webadres, want daarin voorziet het boek niet. Het zou toch jammer zijn als je meer dan 24 uur hebt gereisd en eindelijk bij Gibbs Farm aankomt om dan pas te ontdekken dat je nog drie weken moet wachten op de twee maandelijkse geopende dagen en dat die waarschijnlijk ook al “fully booked” zijn!

Hieronder de links van alle parken uit het boek:
Storm King Art Center: http://stormking.org/about/

Fattoria di Celle/ Collezione Gori: http://www.goricoll.it/index.php?file=visitare

Gibbs Farm: http://www.gibbsfarm.org.nz/orrvideo.php

Instituto InHotim: http://www.inhotim.org.br/en/visit/schedules/

Chateau la Coste: http://chateau-la-coste.com/en/walk/

Ekebergparken Sculpture Park: http://ekebergparken.com/en/visit

 

Bewaren

Bewaren

Musea voor onderweg,

27 september 2016

Karel Schampers maakte een praktische gids voor vergeten musea in België en Noord Frankrijk

Omslag van het besproken boek

Omslag van het besproken boek

Iedereen  heeft wel eens op vakantie een culturele toevalstreffer meegemaakt: een onverwacht concert wat prachtig was, of een klein onbekend museum waar een kunstwerk van een bekende meester blijkt te hangen. De voormalige directeur van het Haarlemse Frans Halsmuseum, Karel Schampers, had opeens een paar jaar geleden wat meer tijd op weg naar zijn Franse vakantiedoel. En hij besloot eindelijk naar Musée des Beaux-Arts in het Waalse Tournai (Doornik) te gaan. Schampers: “wat een verrassing! In een schitterend gebouw van de Belgische architect Victor Horta trof ik een adembenemende collectie aan met werken van Courbet, Manet, Monet, Seurat, Van Gogh, Ensor, Jordaens, Van Dijk, Pieter Bruegel, Jan Gassart, Hugo van der Goes en Rogier van der Weyden. Mijn vrouw en ik waren de enige bezoekers, op twee Engelse toeristen na die kwamen schuilen voor het losbarstende noodweer. Ik geneerde me dat ik zoveel jaren aan deze bijzondere collectie was voorbijgereden.”

Iets dergelijks proberen wij te doen met deze website. Schampers noemt in zijn motivatie voor zijn boekje De museale snelweg af, België & Noord Frankrijk  precies dezelfde reden als wij voor onze site. Het ergste van alles,  aldus Schampers, “ is dat je niet meer rustig kunt kijken en tien rijen dik langs de kunstwerken moet schuifelen”. Bij Waarom op deze site staat ongeveer hetzelfde. Natuurlijk vinden we het dan ook een goed initiatief van Schampers en uitgeverij Waanders om deze gids met, zoals hij het noemt, vergeten musea, uit te geven. Het verschil tussen Op weg naar de Kunst en zijn gids is de informatie. Schampers gebruikt vaak de website van de instelling en geeft vaker niet, dan wel zijn mening over het museum, laat staan over secondaire voorzieningen zoals: wat kun je er met (klein) kinderen doen, hoe is het eethuis en het personeel en, niet onbelangrijk, zijn er schone plees?
Het is een nuttige gids is:  wie snel wil weten welke musea in België en Noord Frankrijk de moeite waard zijn, wanneer ze open zijn en waar ze precies liggen, vindt dit in het boekje gecombineerd met een globale wegenkaart.

Praktisch dus, want ondanks de voortschrijdende digitalisering heeft niet iedereen zijn Ipad en of smartphone op roaming staan in het buitenland. (Hoewel na juni 2017 schijnen we dit wel te kunnen gaan doen!)

Karel Schampers, Museale snelweg af, Uitgeverij Waanders & De Kunst,
ISBN 978 94 6262 101 5,  prijs € 25,-