Op weg naar de kunst

bespreekt de vaste collectie van musea in Nederland en elders.

Haarlem: Frans Hals Museum

Haarlemse helden vereend
De geschiedenis van de stedelijke kunstcollectie van Haarlem begint in 1581 als de Staten Generaal de stad toestemming geeft alle katholieke gebouwen en bezittingen, dus ook de kunst, te confisqueren. Door dit besluit bleven belangrijke kunstwerken van onder meer Jan van Scorel en Maarten van Heemskerck in de stad. Sterker nog, men bouwde gelijktijdig een collectie actuele kunst op door opdrachten te geven aan belangrijke Haarlemse kunstenaars als Cornelis Cornelisz van Haarlem. Jarenlang werd die collectie getoond zowel in het raadhuis aan de Grote Markt, als ook er achter in het Prinsenhof, waar nu het Stedelijk Gymnasium zit, dat echter indertijd bij het stadhuis hoorde. 

De stad begreep direct hoe bijzonder hun kunstcollectie was, want al in het begin van de zeventiende eeuw werden bezoekers toegelaten. Deftige burgers natuurlijk, geen ‘kleine luyden’. Van Mander schreef in zijn Schilders-boek uit 1604 -het eerste overzicht over schilders en schilderkunst in de Nederlanden- dat de Haarlemse collectie ‘van velen ghesien, en seer geprezen wort’.  In de loop van de tijd groeide de verzameling, ook met ouder werk. Aan het einde van de 17e-eeuw kwam het eerste Schutterstuk van Frans Hals binnen; rond 1821 volgden de andere schutterstukken en Hals’ groepsportretten van regenten en regentessen. Deze bijzondere kunstwerken hangen nog steeds in het Frans Hals Museum.
De wereldberoemde collectie verhuisde in 1913 naar het huidige Frans Hals museum, dat in de zeventiende eeuw gebouwd was als oudemannenhuis met een mooie binnentuin. Inmiddels zijn zowel het pand, als iteraard ook de verzameling uitgebreid. Het laatst in 1993 met een toevoeging van nieuwe gebouwen aan de Grote Markt: de Hallen (de Vleeshal, het Vishuisje en de Verweyhal). Sindsdien waren de moderne en hedendaagse kunst voornamelijk daar te zien. Tegenwoordig worden altijd moderne kunstwerken met de klassieke kunst gecombineerd.


Zomer 2018 Binnenplaats

Haarlemse helden bij elkaar
Sinds het voorjaar van 2019 is een nieuwe opzet gemaakt die drie jaar zal blijven staan: Haarlemse Helden. Andere Meesters. Er zullen, zoals het museum dat noemt ‘dynamische ingrepen’ komen: er worden zo nu en dan aanpassingen gemaakt met schilderskunst die in het depot staat.. De nadruk ligt op schilders die in de tijd rondom Hals, in de zestiende en zeventiende eeuw, in Haarlem werkten. Er is gekozen voor een sociologisch koepelthema: in en uit.  Wie hoort erbij en wie wordt buitengesloten? Het museum laat schilders zien die er bij hoorden, maar ook vergeten raakten, wat zelfs Hals in de achttiende eeuw overkwam. De zalen zijn thematisch met combinaties ingericht, zoals hier/daar, man/vrouw, vader/zoon, rijk/arm en eten/drinken. Onderwerpen die een andere kijk op de collectie mogelijk maken, maar door de hoge kwaliteit van de kunstwerken geen dwingend keurslijf zijn.
De tentoonstelling begint met werk van Hendrick Goltzius, Pieter Pietersz en Karel van Mander. De eerste kwam uit Duitsland en de laatste twee uit Vlaanderen. Na de hervatting van de Tachtigjarige Oorlog was in 1622 iets meer dan de helft van de Haarlemse bevolking Vlaams, waaronder ook de ouders van Frans Hals. Onwillekeurig sta je stil bij de vraag hoe groot, economisch en artistiek, de invloed van die immigranten is geweest. Uiteindelijk ontstond, ondanks een zo verschillende herkomst, een versmelting van culturele invloeden en een spectaculaire ontwikkeling in de Haarlemse schilderkunst die uitermate belangrijk werd voor de kunst van nieuwe Republiek. Toch is Haarlemse helden. Andere Meesters geen tentoonstelling over identiteit. Het laat eerder de nieuwsgierigheid, de leergierigheid en de openheid van zeventiende-eeuwse kunstenaars en hun kopers zien: portretten, landschappen, stillevens, marines, mythologische verhalen, etc..

Verhelderend
Door de verschillende thema’s wordt een waaier opengetrokken aan genres, oud en nieuw; met invloeden van her en der. Zo krijg je een verhelderend en breed beeld van de Haarlemse schilderkunst uit Hals’ tijd. Uit een op een muur aangebracht schematisch overzicht blijkt hoe intens Haarlemse schilders als Van Mander,  Berckheyde, Porcellis, De Bray, Pieter Claesz, Saenredam, Jacob van Ruisdael, Judith Leyster en Hals als meester en leerling met elkaar werkten.


Zaalfoto 2019 met een Schematisch overzicht van de samenwerking tussen de schilders.

De zorgvuldige toevoeging van een enkel hedendaags kunstwerk zorgt voor verrassing en soms ook herkenning. In de twee foto’s met Aziatische toeristen bij een typische Hollandse molen en gracht van Barbara Visser, een herkenbaar beeld, klopt iets niet. De foto’s werden dan ook in een Hollands pretpark in Japan gemaakt en bovendien dragen Nederlandse modellen ‘Aziatische’ maskers en pruiken!


Zonder titel (Couple by a mill) en Zonder titel (Couple by a canal), Barbara Visser 2001.

Bij deze twee foto’s hangen 17e-eeuwse schilderijen met een mythologische, een  bijbelse, en een allegorische voorstelling, kortom kunstwerken die door tijdgenoten ook als realistisch werden ervaren, terwijl wat er gebeurde waarschijnlijk zich zo niet af had gespeeld, of kon afspelen. In de Renaissance kwamen allegorische voorstellingen, naar het voorbeeld van de oude Romeinse en Griekse kunst, weer in zwang. De kunstenaar maakt dan gebruik van realistische voorstellingen om abstracte begrippen als deugd en ondeugd vorm te geven maar ook om de leiderschapskwaliteiten van heersers te bewieroken. Dat is een andere zaal goed te zien. Jan de Braij (1627-1697) schilderde in 1681 Allegorie op Frederik Hendrik als vredestichter. Daarom kroont een engel hem met een lauwerkrans terwijl de Haarlemse Stedenmaagd, het symbool van de zuiverheid van de stad, hem knielend begroet. Het schilderij was een opdracht van de stad om de inmiddels overleden Frederik Hendrik te eren voor zijn belangrijke aandeel in de Vrede van Munster. We zien de symbolen: een laurierkrans, de loftrompetten die worden geblazen trompetgeschal, twee kirrende duifjes en Haarlems belangrijkste kerk uit die tijd, de Sint-Bavo bij het begin van de nieuwe dageraad van de vrijheid. De Nederlandse Maagd in het blauw, kijkt toe vanachter haar schild met de 7 samengebonden pijlen: het symbool van de Zeven Provincies. Dankzij Frederik Hendrik kreeg Haarlem nieuwe welvaart. Tijdgenoten herkenden al deze symbolen. Waar wij denken, die trompetters, een engel en een knielende vrouw, wat doet dat daar allemaal, lazen de zeventiende-eeuwers meteen de voorstelling. Ons zijn al die symbolen niet meer bekend, behalve misschien de lauwerkrans?


Allegorie op Frederik Hendrik als vredestichter, Jan De Bray, 1681.

Ook elders zie je mooi hoe het verdraaien van de werkelijkheid, of het iets anders in scene zetten, spannende kunst oplevert. Zo hangt bijvoorbeeld de video Everything is going to be allright, van Guido van der Werve, uit 2007, in een zaal met zeventiende-eeuwse zeegezichten waaronder het schilderij met een woeste zee van Jan Porcellis uit 1618. (Porcellis veranderde het zeventiende-eeuwse zeelandschap, ook hij was een in Haarlem werkende Vlaming.  Dit werk laat een nieuw soort zeelandschap zien, een gevaarlijke omgeving die door de schepen wordt getrotseerd. In de video menen we het gevaar bijna mee te maken: een man, de kunstenaar, loopt schijnbaar slechts enkele tientallen meters voor een enorme ijsbreker uit. Deze twee kunstwerken maken een verbinding door de eeuwen heen doordat in beide werken een gevaarlijke natuur de hoofdrol speelt.


Beeld uit de video Everything is going to be allright, van Guido van der Werve uit 2007.


Schepen in een storm, Jan Porcellis, ca. 1618.

Tegenstellingen, Beïnvloeding, de nieuwe tijd
Bij Haarlemse helden. Andere Meesters zien we ook de voorlopers van Hals. In een smalle  gang hangen twee groepsportretten tegenover elkaar: het Groepsportret van Jeruzalemvaarders van de Ridderlijke Broederschap van de Heilige Lande te Haarlem, uit 1528, van Jan van Scorel (1495 – 1562)en het Feestmaal van een korporaalschap van de Haarlemse Cluveniersschutterij uit 1583, van Cornelis Cornelisz van Haarlem (1562-1638). Ondanks de 50 jaar verschil zijn het twee totaal andere groepsportretteren. Van Scorel hoort bij de eerste helft van de zestiende eeuw en Cornelis Cornelisz bij de tweede helft. Het Groepsportret van Jeruzalemvaarders, uit 1528, benadrukt weliswaar de individualiteit van de mannen, maar de eerste indruk is een statisch werk.


Jeruzalemvaarders van de Ridderlijke Broederschap van de Heilige Lande te Haarlem, Jan van Scorel, 1528.

Cornelisz van Haarlem maakte van het Feestmaal een verhaal. Hij bedacht een nieuwe manier om deftige (Haarlemse) burgers zo ongedwongen samen te schilderen. De schutters zijn bezig met elkaar, sommigen kijken ons aan. De man met het vaandel in het midden zou zich kunnen omdraaien om iedereen mee naar buiten te nemen. De handen en de witte gesteven kanten kragen maken een soort golfbeweging door het beeld. Er is een voortdurende interactie met ons en soms met elkaar, heel anders dan de Jeruzalemvaarders bij  Van Scorel.


Feestmaal van een korporaalschap van de Haarlemse Cluveniersschutterij, Cornelis Cornelisz van Haarlem, 1583.

(Omdat hun huidige plaats voor een fototostel wat krap is, heb ik de beide schilderijen schuin gefotografeerd. Een reden te meer om naar het museum te gaan.)

In beide schilderijen staat overigens ook een zelfportret: Van Scorel is de derde van rechts en Corneliszoon is de meest linkse bovenste jongeman. Beide schilderijen waren in hun tijd heel modern! Zo zie je direct bij het thema Van statig naar zwierig wat een tijdspanne van 50 jaar, ook in de 16e eeuw, voor verschil kan maken!


De doop van Christus in de Jordaan, Jan van Scorel, ca. 1530.

Van Scorel maakte een pelgrimstocht naar Jerusalem en werd op de terugweg conservator bij paus Adriaan VI in Rome. Vervolgens werd hij kanunnik in Utrecht (een soort wereldlijke functie binnen de kerk), maar verhuisde drie jaar door politieke onrust naar Haarlem. Hij bracht de Renaissance kunst naar het noorden. In het museum kun je zien hoe Van Scorel de overgang van een strak middeleeuws idioom naar de bewegelijke moderne Italiaanse kunst verwerkt. In de volgende zaal met Bijbelse en mythologische thema’s, hangt Van Scorels Doop van Christus, uit 1530 waar je betrokken wordt bij een belangrijk moment uit het leven van Christus. De aandacht gaat zowel naar de mensen, als naar de natuur.

Opvallende combinatie
Een ander opmerkelijk werk is een triptiek met zijpanelen van Maarten van Heemskerck uit 1547. Van Heemskerck (1498-1572) was een leerling van Jan van Scorel en ging ook naar Rome. Hij is een typische Renaissance kunstenaar. Het middendeel, De Kindermoord van Bethlehem, werd ruim veertig jaar later, in 1591, gemaakt door Cornelis Cornelisz. van Haarlem. Hij was een typische Haarlemse maniërist; de lichamen van mensen worden met een overvloed aan details in ingewikkelde poses gezet. Zijn manier van schilderen is daardoor veel moderner dan Van Heemskercks werkwijze.Het oorspronkelijke drieluik hing in de kapel van het lakenmakersgilde in de Oude Bavo. Links is een Aanbidding van de Herders en rechts een Aanbidding van de Koningen, een bizarre combinatie met deze enorme kindermoord in het midden. Logischerwijs zit tussen twee aanbiddingen een geboorte van Christus en geen moordpartij naar aanleiding van diens geboorte.


De Kindermoord van Bethlehem, Cornelis Cornelisz van Haarlem, 1591, zijpanelen de Aanbidding van de Herders en de Aanbidding van de Koningen, Maarten van Heemskerck, 1547.

Het oorspronkelijke middendeel was na het Haarlems beleg in 1572/1573 verdwenen. Het stadsbestuur gaf Cornelisz. van Haarlem jaren later opdracht voor een nieuw deel. Het werd dit opmerkelijke bravourestuk met een politieke betekenis. Het drieluik was bedoeld voor het Prinsenhof achter het stadhuis, het Haarlemse verblijf van stadhouder prins Maurits en andere hooggeplaatste bezoekers. Tijdgenoten herkenden in de Kindermoord van Bethlehem de actuele politieke situatie: Filips II liet, net als Herodes, onschuldige Haarlemse kinderen doden. Prins Maurits moest, als opvolger van zijn vader, die kinderen beschermen tegen de wrede vorst.

Typisch Haarlems
Bij Haarlemse helden. Andere Meesters blijkt hoeveel en hoe kwalitatief hoog Haarlemse kunstenaars de verschillende genres in de zestiende en zeventiende eeuw uitwerkten, of zelfs nieuw uitvonden, zoals het duinlandschap. Door de grote toestroom van immigranten die meer dan de helft van de bevolking uitmaakten, puilde de stad uit zijn voegen, waardoor de nieuwbouw van de stadsuitbreiding een geliefd onderwerp werden.


Gezicht op de Bakenessegracht met de brouwerij de passer en de Valk, Gerrit Berckheyde, 1662.

Echt nieuw is het duingezicht. Als altijd moet er op worden gewezen dat, hoe realistisch ook deze landschappen ook zijn, ze samengestelde composities zijn. Kunstenaars konden pas in de 19e-eeuw lekker buiten schilderen. Tot de uitvinding van de verftube werden landschappen in het atelier gemaakt, weliswaar op basis van schetsen, studies en tekeningen die de schilders buiten hadden gemaakt en die in het atelier tot een niet bestaand landschap werden gecomponeerd. Deze duingezichten groeiden uit tot een lokaal genre: de Haerlempjes. Jacob van Ruisdael werd de absolute meester.


Duinlandschap met konijnenjacht, Jacob van Ruisdael, ca 1650.

Frans Hals  
Frans Hals (Antwerpen, ca 1582 – Haarlem 1666) is Haarlems bekendste schilder. Zijn genre is het portret: groepsportretten, of portretten van families en echtparen en individuele portretten, vaak tegen een neutrale achtergrond. Hals stond in zijn tijd al bekend als de grootste ‘conterfeyter’ (portretschilder). Acht van de twaalf schilderijen van Hals die het museum in bezit heeft, zijn groepsportretten: vijf schuttersstukken en drie regenten portretten. De rest zijn individuele portretten. 


Pieter Jacobsz Olycan, Frans Hals, ca 1630.


Vrouw met handschoenen, Frans Hals, 1645-50.

De groepsportretten hingen eeuwenlang op de plek waarvoor ze gemaakt waren in de doelen (van de schuttersgilden), weeshuizenen bejaardeninstellingen, maar kwamen uiteindelijk allemaal in de Haarlemse collectie. Niet alleen de stukken van Hals maar bijvoorbeeld ook van Cornelisz van Haarlem, Verspronck en vader en zoon De Bray.


Regenten van het Leprozenhuis in Haarlem, Jan de Braij, 1667.

Het merendeel van Hals’ schilderijen is bijeengebracht In De Salon, de grootste zaal van het museum. Ondanks de enorme groepsportretten heeft de grote ruimte door het mooie kleurgebruik en prachtige bovenlicht een intiem karakter.


Zaaloverzicht 2019 van De Salon met louter schilderijen van Frans Hals.

Hals kreeg waarschijnlijk zijn opleiding bij die andere Vlaamse immigrant: Karel van Mander. Hij is nog een korte tijd naar Antwerpen terug geweest. Hals laat, net als Rubens, zijn zitters leven; ze krijgen een eigen persoonlijkheid door een oogopslag, een trek rond de mond, of een handgebaar.


Maaltijd van de officieren van de Sint-Jorisdoelen, Frans Hals, 1627; door de later aangebrachte nummertjes op hun uniform weten we wie het zijn.

Frans Hals was technisch ongelofelijk virtuoos. Hij schilderde vaak nat in nat waardoor het schilderij rommelig, niet afgewerkt, lijkt. Er is echter groot vakmanschap en kennis nodig om zo snel te kunnen werken. Als Hals in de negentiende eeuw, net als andere Nederlandse schilders, door Theophile Thoré-Bürger wordt herontdekt is zijn ‘spontane toets’ de brug naar de impressionisten, zij zien een zielsverwant. Zijn tijdgenoot Schrevelius, de rector van de Latijnse school, schreef over Hals’portretten ‘dat se schijnen asem van haer te gheven, ende leven,’ ofwel:  dat ze schijnen te ademen en te leven.


Regentessen van het Oudemannenhuis, Frans Hals, 1664; in de achtergrond Regentessen van het Sint-Elisabeths Gasthuis in Haarlem, Johannes Verspronck, 1641.

In deze tentoonstelling hangen Hals’ wereldberoemde Regentessen van het Oudemannenhuis uit 1664, bij twee regenten stukken van Verspronck en Jan De Bray. Dat zijn prachtige groepsportretten met keurige dames en heren die hun bestuurstaak ernstig nemen. Ze ogen vriendelijk, heel anders dan de regentessen van Hals die er zurig en stijf bij zitten. Hals schilderde zijn Regentessen twee jaar voor zijn dood. Hoewel Verspronck en De Bray beduidend jonger zijn, valt op hoe veel vrijer de oude Hals was in zijn manier van schilderen en portretteren. Er is veel gespeculeerd of zijn ogen te slecht en zijn hand te zwak waren om nog goed te kunnen schilderen, maar Hals was ook stokoud een groot en vrij kunstenaar. Seymour Slive, de grote Hals-kenner, is duidelijk over deze regentenportretten, die behoren tot ‘de meest indringende portretten die ooit zijn geschilderd’.
Hals stierf armlastig op 84-jarige leeftijd.

 

NB In het museum staan sinds 30 jaar ieder voorjaar steeds verse boeketten in de zalen en gangen. Deze zijn in 2019 gemaakt.


Bloemen maart 2019.

 

Informatie en voorzieningen

Frans Hals Museum

Groot Heiligland 62; 2011 ES Haarlem

W website museum
T 023-5115775
di t/m zo 11.00-17.00 uur; zon en feestdagen 12-17 uur, meer info op de website

bereikbaarheid
OV 30 min lopen van CS Haarlem, of bus 3, Halte Frans Hals Museum
moeilijk en duur, 2 parkeergarages in de buurt: Houtplein en De Kamp
collectie informatie
folder oppervlakkig
zaalteksten leuk
presentatie collectie klassiek met verrassingen
route informatie helder door eenvoudig gebouw
digitaal - app niet gevonden
vriendelijkheid
suppoosten heel vriendelijk
winkel
kinderactiviteiten
Zie website onder families, er staan alleen algemene rondleidingen
ruimte: er is een leuke zaal in het traject
museumwinkel
assortiment redelijk
kunstboeken lijkt breed, maar is vaak hetzelfde boek in 3 talen
kinder-kunstboeken hier ook veel, toch zie boven
grappige kleine cadeautjes ook wel veel duurder glaswerk, keramiek en sjaals
museumrestaurant
prijs/kwaliteit redelijk, LET OP na half 4 is de keuken gesloten! Wel koffie en drank.
menu beperkt niet verrassend
wc
schoon na 3 uur rommelig
makkelijk te vinden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.