Op weg naar de kunst

Bestel hier onze: Gids naar Nederlandse musea Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten

Verrassingen al om
Napoleon was, net als elders in Europa, ook voor België van groot belang voor de ontwikkeling van de beeldende kunst. Tijdens de Franse overheersing ontstond aan het begin van de 19e eeuw in de Zuidelijke, en in de Noordelijke Nederlanden een nieuw beleid. In het zuiden werden scholen voor kunstonderwijs opgericht met openbare verzamelingen die bestonden uit geconfisqueerde kunstbezit. Jonge kunstenaars kregen hun opleiding naar het voorbeeld van die kunst. Het publiek kon al in 1803 enkele dagen per week de Brusselse Centrale School bezoeken. Hier ligt de oorsprong van de latere Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, de KMSK.

Koninklijke Musea
Na Napoleons nederlaag in Waterloo werd Europa tijdens het Congres van Wenen in 1815 heringericht. Er ontstonden nieuwe grenzen en soms zelfs nieuwe staten. Na meer dan twee eeuwen werden de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden onder de Oranjes verenigd. Koning Willem I had plannen om in Brussel een ‘koninklijk museum’ op te richten. Er was al in 1811 een eerste nationaal museum gesticht in het Oude Hof, het paleis dat Karel van Lotharingen liet bouwen. Dat lag precies op de plek waar eerder het paleis van Nassau stond. De graven van Nassau-Dillenburg kregen door een slimme huwelijkspolitiek rond 1400 een prachtig paleis in Brussel. Ruim een eeuw later werd het in de tijd van Willem van Oranje, vóór de opstand tegen Spanje, het centrum van de adellijke Brusselse decadente culturele pronk en praal.
Uiteindelijk ontstond het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten pas in 1842 toen de Belgische staat de Brusselse collecties overnam.


Koning Leopold I, Guillaume Geefs, 1853. Links achter De laatste dag, Pierre Alechinsky, 1927, in de centrale hal van de KMSK.

Horta ontwierp voor de kunst uit het einde van de negentiende-eeuwse het Paleis voor Schone Kunsten in de Ravensteinstraat, dat in 1928 opende. Een multidisciplinair gebouw met concert- en tentoonstellingszalen. Daar is tegenwoordig Bozart gevestigd. Bozart, een mooie verbastering van Palais des Beaux-Arts, is nog steeds een bruisend kunstencentrum met veel tijdelijke tentoonstellingen.

Uitbreidingen
In de loop van de tijd zijn verschillende musea verspreid door Brussel bij het museum gekomen, zoals het Wiertz en het Meunier Museum. Het zijn musea met eigen gebouwen en uiteenlopende collecties. Vandaar het meervoudige ‘Koninklijke Musea’. Inmiddels is het grote gebouw aan de Regentschapsstraat 3 uitgebreid met het voormalige hotel Altenloh aan het aanpalende Koningsplein 3. Hierin is het Magritte Museum ondergebracht, de laatste aanwinst bij de musea. René Magritte is de bekendste Belgische surréalist, wiens schilderij Ceci n’est pas une pipe wereldberoemd is. Onder de secuur geschilderde pijp staat deze tekst, vertaald: dit is geen pijp. Dat is natuurlijk zo, want het is een schilderij waarop die pijp staat afgebeeld.
Het Surréalisme ontstond in Parijs in de jaren 20 van de vorige eeuw. Dromen en het onbewuste spelen een belangrijke rol; zij zijn meestal het beginpunt van deze kunstwerken. Vaak staan op de schilderijen uiterst realistische, maar onmogelijke voorstellingen, zoals een vrouw wiens bovenlijf uit wolkenlucht bestaat. René Magritte werd beïnvloed door de belangrijke theoreticus van het Surréalisme André Breton en de Italiaanse schilder Giorgio de Chirico. In 1930 ging hij terug naar Brussel en vond er zijn eigen vorm in verrassende combinaties van beeld en tekst. Hij wordt een van de toonaangevende Belgische Surréalisten. De collectie van het Magritte Museum heeft naast zijn bekende schilderijen en tekeningen, ook reclame materiaal, affiches foto’s en grappige filmpjes die hij samen met zijn vrouw maakte.
Na een jarenlange ondergrondse verbouwing en uitbreiding werd onder de tuin achter het museum een hele nieuwe fin-de- siècle afdeling geopend, met kunst uit het einde van de negentiende en begin twintigste eeuw.
Doordat de collecties groot en bizonder zijn, maken we drie verschillende verhalen over de KMSK. Dit is het eerste deel met een historische inleiding en informatie over de kunst van de Vlaamse Primitieven tot en met Pieter Bruegel de Oude, de schilder van de nieuwe tijd.

Geschiedenis
Dit enorme Paleis voor de Schone Kunsten opende in 1880. In eerste instantie was hier alleen oude kunst – Middeleeuwen tot en met de zeventiende eeuw- te zien. Het museum heeft een statige klassieke voorgevel met grote bronzen beelden op de Korintische zuilen. Het zijn de vier kunsten: architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst en muziek.


De beelden aan de voorkant van het gebouw.

Binnen is in de tweede enorme hal weinig aan de oorspronkelijke indeling veranderd. Rondom de vide loopt een galerij met pilaren waarachter de zalen met de Old Masters: kunst uit de middeleeuwen tot en met eind zeventiende eeuw.


Het nieuwe België voor Tafereel van de Septemberdagen 1830 op de Grote Markt te Brussel, Gustaaf Wappers, 1835.

Oorspronkelijk was deze tweede hal een beeldenzaal, inmiddels hangen er ook schilderijen, vaak met belangrijke historische Belgische onderwerpen zoals Tafereel van de Septemberdagen 1830 op de Grote Markt te Brussel van Gustaaf Wappers uit 1835 en De optocht van de scholen in 1878 van Jan Verhas. Het eerste schilderij was een opdracht van de nieuwe Belgische regering en symboliseert de opstand tegen Oranje in 1830. De burgerij van het inmiddels economisch welvarende zuidelijke deel wilde politieke inspraak. Koning Willem weigerde dit; hem werd ondiplomatiek gedrag verweten. De politieke eis was duidelijk op muren gekalkt, drie regels met vier maal de letter W: ‘Wij willen Willem weg, wil Willem wijzer worden, wij willen Willem weer’. Door de stugge Haagse reactie veranderde het protest in een onafhankelijkheidsstrijd.


Tafereel van de Septemberdagen 1830 op de Grote Markt te Brussel, Gustaaf Wappers, 1835.

In augustus werd de voorlopige onafhankelijkheid uitgeroepen en in september probeerden Hollandse troepen als nog orde op zaken te stellen. De gebeurtenissen in die septemberdagen van 1830 zijn door Gustaaf Wappers in het grote dramatische schilderij van 6,6 bij 4,4 meter samengebracht. We zien hoe de bevolking de aanval op de Brusselse Grote Markt zou hebben afgeslagen. De zegevierende Belgische vlag krijgt nog meer kracht door de samenwerking van arm en rijk, jong en oud, man en vrouw. De slimme compositie met de diagonaal van links onder naar rechts boven waar ook nog eens de nieuwe vlag wappert, verhoogt het theatrale effect. Hier zien we de zwaarbevochten geboorte van een nieuwe staat.
Op het andere grote schilderij, De optocht van de scholen in 1878, lopen vrolijke kinderen in een defilé ter gelegenheid van de zilveren bruiloft van koning Leopold II en koningin Marie-Henriette. Er liepen enkele tienduizenden keurig uitgedoste meisjes (en jongens) van Brusselse openbare scholen. We zien de goede vorst en de deugdzame leerlingen van het openbaar onderwijs. Het is voor propaganda doeleinden regelmatig gereproduceerd.


De optocht van de scholen in 1878, Jan Verhas, 1881.

Tegelijkertijd is het een uiterst beladen werk omdat het ongeveer samenvalt met de invoering van een nieuwe schoolwetgeving waarna een uiterst bittere en verscheurende schoolstrijd tussen katholieken en liberalen volgde. Het onderwijs was voorheen grotendeels in handen van katholieke instellingen; de liberalen en socialisten wilden er het openbaar onderwijs aan toevoegen. Het is wel mooi dat deze twee belangrijke historische gebeurtenissen in de eerste hal zijn te zien.

Old Masters
Voorbij de centrale hal kun je kiezen uit verschillende afdelingen: Old Masters, België in de 15e-17de eeuw en de Hollandse Gouden Eeuw. Het museum is beroemd door de prachtige collectie lokale kunst uit de 15e – 18-e eeuw, de tijd dat de Zuidelijke Nederlanden deel uitmaakten van het Bourgondische en later het Habsburgse Rijk waarin kunst zo’n belangrijke rol speelde. Schilders als de Meester van Flémalle, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Joos van Cleve en Pieter Bruegel en zijn erven, waren in hun tijd beroemdheden, met in de zeventiende eeuw als grote opvolgers Rubens, Jordaens en Van Dyck.


Zaaloverzicht 2019 met twee schilderijen van Jacob Jordaens.

Door de Tachtigjarige Oorlog ontstaat in het noorden een eigen beeldcultuur, die deels door het nieuwe geloof en uit trots op de bloeiende economische zelfstandigheid een eigen richting gaat. Tot die tijd bestaat er in de schilderkunst eenheid naar inhoud en vorm. In de collecties van de KMSK wordt het eerste vooroordeel geslecht over het verschil tussen beide culturen. Die is veel vloeiender dan gedacht. De Vlaamse Primitieven zijn niet zo Vlaams als we denken en bij de grote Noord Nederlandse schilders horen de Antwerpenaar Frans Hals, de Mechelaar Vermeer, de Luikse schilder De Laraisse en Karel van Mander uit Molenbeek. De laatste is door zijn Schildersboeck uit 1604 met schilder biografieën voor iedereen van belang. Het is dan ook niet vreemd dat in  2019 in de heringerichte afdeling Dutch Spring de Noord Nederlandse 17e-eeuwse schilders zijn ondergebracht.

Vlaamse Primitieven
Het is eigenlijk een beetje gek dat een groep schilders die zorgde voor een enorme ontwikkeling in de Europese schilderkunst Primitief wordt genoemd. Die schilders kwamen voor die tijd tot een vrijwel perfecte weergave van de werkelijkheid. Het grappige is dat de kunstgeschiedenis hierin een belangrijke dubbelrol speelt. Enerzijds ontstond In het midden van de negentiende eeuw een herwaardering voor deze schilders uit het einde van de middeleeuwen, anderzijds vergeleek men hun schilderijen  met de eigen manier van schilderen waarin het centraal perspectief voor realistische ruimte zorgt. Doordat bij de oude schilders de weergave van de ruimte niet klopte, waren ze dus ‘primitief’.
Schilders als de gebroeders van Eyck, Rogier van der Weyden, Dirc Bouts en hun tijdgenoten konden dit overigens wel heel slim verhullen, zij werkten met een illusionistische ruimte. Als je figuren in de natuur plaatst, valt er makkelijker te sjoemelen dan in een besloten ruimte. Het doel van de laat middeleeuwse schilderkunst was niet de realiteit. Hun onderwerpen waren vooral didactisch en religieus. Men schilderde de hoogtepunten uit de Bijbel en heiligenlevens. Hoewel er geen diepte in de ruimte zit, voelt het verhaal nog steeds realistisch aan.Hier zien we bijvoorbeeld het verdriet over de dood van Christus bij zijn moeder en zijn dierbaarste vrienden.


Piëta, Rogier van der Weyden, ca 1400-1469

Later lieten kerkelijke en wereldlijke machthebbers zich schilderen en nog later hun avonturen, kruisvaarten, veldslagen en overwinningen. Toen aan het einde van de middeleeuwen de steden belangrijk werden, wilden machtige burgers ook geschilderd worden. Eerst stonden ze nog klein als schenkers aan de rand van godsdienstige schilderijen. Allengs werden ze zelfstandige grote figuren die soms samen met hun beschermheilige deelnamen aan de gebeurtenis. Uiteindelijk waren de rijke burgers zo belangrijk dat ook zij het onderwerp werden.


De bankier en zijn vrouw, Quinten Metsijs.

De schilderkunst op panelen is voortgekomen uit de prachtige middeleeuwse boekversieringen. Het grote verschil is echter dat deze schilders olieverf gingen gebruiken, in tegenstelling tot het oude tempera waar eiwit de kleurpigmenten tot een pasta bond. Olieverf is transparanter en geeft diepte aan plooien, flonkering aan edelstenen en ogen. Bovendien kon het formaat groter worden door deze nieuwe verf die langzaamer droogt en waar laag op laag kan worden aangebracht.


Antoon van Bourgondië , 1421/22-1504, Rogier van der Weyden.


Detail Antoon van Bourgondië, 1421-1504, met de ketting van ridderorde van het Gulden Vlies en de pijl als koning van de boogschutterswedstrijd in Brugge.

Perspectief
Inmiddels had men in Italië het centraal perspectief ontdekt, maar werkte men nog niet met olieverf. Er ontstaat een levendige uitwisseling tussen de, kleurrijke, vernieuwingen in het noordelijke en de, lineaire, oplossingen in het zuiden. Belangrijke kunstenaars als Albrecht Dürer en Lucas Cranach de Oude verbonden beide tradities. Kunstenaars uit het noorden reisden naar het zuiden en verwerkten de nieuwe invloeden in hun werk. Er kwam nieuwe informatie door de prentenhandel waarin graveurs kunstwerken natekenden en vervolgens als prenten verspreiden. Zo raakten de ateliers, ook als men zelf niet reisde, op de hoogte van elkaars ideeën, ‘inventione’.
De kunstwereld verschoof dus letterlijk van lokaal naar (West-Europees) internationaal en van godsdienstig naar wereldlijk. In de collectie van het museum zit een prachtige triptiek met een graflegging van Christus door de Haarlemse schilder Maarten van Heemskerck uit 1559 waar alle nieuwe verworvenheden zijn te zien. De schenker staat op het linker luik samen met Petrus, zijn beschermheilige. Op het rechter zijluik staat zijn vrouw samen met de Heilige Magadalena. Qua formaat is er geen verschil met de heilige figuren uit het middenpaneel die de vrijwel naakte Christus ten grave dragen.


De graflegging, Maerten van Heemskerck, 1559.

Pieter Bruegel en de Brueghels
De overgang van de middeleeuwen naar de renaissance wordt in de Zuidelijke Nederlanden gemarkeerd door de markante Pieter Bruegel, ca. 1527-1569. Er zijn tegenwoordig nog veertig schilderijen, zestig tekeningen van hem en tachtig etsen naar zijn ontwerp bekend. Bruegel werd niet oud; omdat zijn geboortedatum onbekend is, schat men dat hij voor 45ste is gestorven. Hij is pas vrij laat gaan schilderen en heeft dus geen groot oeuvre nagelaten.
Bruegel leerde het vak vrijwel zeker van zijn schoonmoeder Mayken Verhulst in het atelier van haar man, de schilder Pieter Coecke van Aelst. Mayken Verhulst illustreerde boeken en heeft mogelijk Bruegel senior de aandacht voor het detail bijgebracht. Hij begon zijn loopbaan waarschijnlijk met dit gedetailleerde versieren van handschriften.
Ondanks de slechts veertig schilderijen komen we in veel musea werk van Bruegel tegen, of nog vaker werk van Brueghel. Let op die ‘h’ is van belang. De generaties na Bruegel senior schreven hun naam met een h. Zij schilderden, naast hun eigen specialiteiten, veel van zijn onderwerpen na. Dat komt vermoedelijk door Mayken Verhulst. Haar kleinzonen, Pieter Brueghel de Jonge en Jan Brueghel de Oude, waren nog jong toen haar dochter in 1578 stierf. Zij voedde hen op, ook in de schilderkunst, en leerde hen de bekende kopieermethode met prikkaarten waarmee de voorstellingen, ook van schilderijen, kunnen worden overgenomen. Zowel deze zonen, als ook hun kinderen en zelfs de volgende generatie schilderden die voorstellingen eindeloos na.  Dit deden ze overigens hier en daar met eigen toevoegingen en veranderingen.


Zaaloverzicht 2019: deel van de Breugelzaal, van links naar rechts: Het gevecht tussen carnaval en vasten, Pieter Brueghel, de Jonge; De Volkstelling te Bethlehem, Pieter Bruegel de Oude; en De kindermoord te Bethlehem, Pieter Brueghel, de Jonge.

Boertig
Lange tijd werd Bruegel een jolige, wat onbenullige boerenschilder gevonden. Men beschouwde dan vooral zijn boerenfeesten en partijen als een realistische weergave van de werkelijkheid. Niets is minder waar. Pieter Bruegel de Oude was een erudiet man die in kringen van belangrijke Europese humanisten verkeerde. Hij reisde waarschijnlijk tussen 1552 en 1554 naar Italië, niet alleen naar het kunstmekka Rome, maar zelfs tot het zuidelijke Calabrië. Na zijn reis ontwierp / tekende hij voor de drukkerij In de Vier Winden / Aux Quatre Vents van de Antwerpse drukker Hieronymus Cock, indertijd een zeer beroemde prentenuitgever. Bruegel etste zelf, hoeveel weten we niet, want er is nog maar één ets van zijn hand bekend.
Tijdens de reis naar Italië maakte hij honderden tekeningen die later zijn geschilderde landschappen zo’n gevoel van realiteit geven.
Het realisme is echter tot in de 17e eeuw eerder illusionistisch, dan werkelijkheidsgetrouw. Het onderwerp moest op de werkelijkheid lijken, niet weergeven. Je zou die werkelijkheid uit de schilderijen tot in de achttiende eeuw nep kunnen noemen. Zo’n landschap is bijvoorbeeld geen specifiek herkenbare uitsnede, maar een compilatie waarin de kijkers konden zien wat voor grootse  werken God in staat is. De schilders wilden, al dan niet godsdienstig georiënteerd, het mooiste en het beste laten zien. De landschappen die in de Bruegel zaal hangen, hebben soms een religieus thema, maar niet altijd.
Door Bruegels enorme talent, vakmanschap en creativiteit, lijkt in de schilderijen alles ’echt’ maar het is niet realistisch. Hij was echter zo’n goede kijker en schilder dat hij ons makkelijk zijn optische illusies laat geloven.


De Volkstelling te Bethlehem, Pieter Bruegel, 1566.

Bruegel was een van de eerste belangrijke schilders die Bijbelse voorstellingen als de Volkstelling in Bethlehem in een Vlaams boerendorp situeerde. Josef en Maria zijn moeilijk te ontdekken tussen een wirwar van karren en mensen. Ook hier denk je in eerste instantie o, ja het was kersttijd  en koud, dus zou er geschaatst kunnen worden. Maar in Palestina is dit niet mogelijk.


Detail, De Volkstelling te Bethlehem, Pieter Bruegel, 1566.

Bruegel gebruikt het illusionisme niet alleen vanwege het plaatje, maar vaak ook als intellectueel raadselspel. Hij combineert bekende voorstellingen, en of interpretaties hiervan tot een eigen beeldverhaal met een eigen taal. Er zijn overeenkomsten met Bosch, maar Bruegel is niet zo demonisch. We herkennen hoe hij het statische landschap van de Vlaamse Primitieven verandert in een levendige bedoening waar altijd iets gebeurt, dichtbij en veraf, zonder dat er een dwingende manier van kijken is. Hij combineert feit en fictie zoals in deze Volkstelling: uit recent is gebleken dat op de Volkstelling te Bethlehem een soort belastingkantoor staat, waarschijnlijk in Wijnegem (ten westen van Antwerpen). Bruegel maakte het werk in opdracht van, de heer van Wijnegem, een vooraanstaand koopman, aan wie de belastingen moesten worden betaald.

NB.

We besteedden al eerder aandacht aan de Firma Brueghel in het Bonnefantenmuseum, LINK Maastricht en bij het Noordbrabantsmuseum in Den Bosch. LINK Beide zijn op de site te vinden.

 

Informatie en voorzieningen

Koninklijke Musea voor Schone Kunsten,
Regentschapsstraat 3, 1000 Brussel
W Koninklijke Musea voor Schone Kunsten
T +32 (0)2 508 32 11
di t/m zo: 10:00-17:00 uur; za en zon: 11:00-18:00 uur; De eerste woensdag van de maand zijn alle musea vanaf 13:00 gratis toegankelijk (niet van toepassing op tijdelijke tentoonstellingen)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.