Op weg naar de kunst

Bestel hier onze: Gids naar Nederlandse musea Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Otterlo. Het Kröller-Müller Museum 2, Het Beeldenpark -tuin en bos-

Beelden in de natuur
Herinneringen komen soms zomaar opzetten. Rond 1992 kwam ik bij de Fondation Maeght in het Zuid-Franse Saint Paul de Vence. Veel later begreep ik waarom ik meteen bij de eerste passen na het hek aan Bram Hammacher van het Kröller-Müller moest denken. In de muur was een hek waardoor ik op een glooiend grasveld kwam. Aan het eind staat het prachtige museumgebouw ontworpen door de Spaans / Amerikaanse architect Josep Lluís Sert (1902-1983). Alles is binnen de proporties en het voelt alsof gebouw en omgeving altijd al bij elkaar waren. Er hangt eenzelfde sfeer van natuurlijke eenheid tussen de beelden en de beeldentuin die ik uit het Kröller-Müller kende. Ieder beeld heeft een ruime eigen plaats. Ze zijn zo neergezet dat je ook andere beelden ziet. Onwillekeurig zoek je naar verschillen en of overeenkomsten, verbanden tussen werk uit verschillende periodes. Dat is een prettige manier van kijken, ontdekken.

Hammacher werd na de oorlog, in 1948, de eerste directeur van het Kröller-Müller en bleef dat 25 jaar, tot 1963. Hij besloot de collectie van Helene Kröller-Müller uit te breiden, eerst voorzichtig met tekeningen van beeldhouwers, levende beeldhouwers, en later ook met beelden en nog later met allerlei kunstwerken, zoals ook al uitvoeriger op onze website in Kröller-Müller 1 wordt besproken.Wat me nog steeds frappeert is de kracht van Hammachers manier van exposeren. Hij was weliswaar niet de uitvoerder, maar wel de initiatiefnemer van het beeldenbos, het tweede deel van het beeldenpark. Uiteindelijk kwam dit er pas in 1988. Maar Hammacher pleitte al in de laatste jaren van zijn directoraat voor die uitbreiding met ‘een geheel andersoortige situering van beelden (in) een ander landschappelijk klimaat en een minder straffe, meer op ongerepte natuur gerichte aanleg’.
In 1961 kwam de beeldentuin bij het museum, pas in 1988 komt het veel avontuurlijker beeldenbos erbij met hedendaagse beelden en installaties, grote werken. Inmiddels is het grootste deel van de collectie voor de Beeldentuin en het beeldenbos door anderen gekocht, desondanks hebben de conservatoren Hammachers manier van ‘zoekend’ tentoonstellen aangehouden.


Plattegrond beeldentuin (onder) en beeldenbos (boven), 2020.

Wie een middagje neemt om wat rond te lopen kan de ontwikkeling van de moderne beeldhouwkunst volgen. In het grote gebied met bospartijen en grasvelden, met een heuvel en kleine glooiïnkjes, staan grote en kleine beelden op zorgvuldig uitgekozen plekken. Soms zijn ze organisch in de natuur verwerkt en zou je zo zo kunnen missen als je niet goed oplet. Met de grote overzichtskaart lukt dat beter.

Beelden buiten
De beeldenverzameling begint al voor de ingang van het museum waar Wenckenbachs Meneer Jacques (1956) je opwacht. Rechts van het pad staat, dichtbij de bakstenen muur van het oudste deel van het museum, een vroeg abstract beeld van Carel Visser (1928-2015), Grote Auschwitz, uit 1967. In de hete zomer van 2020 was het licht hard en schel en werkte het beeld bijna als een ingewikkelde tekening daar bij die muur die telkens veranderde terwijl ik er van rechts naar links langs liep.


Grote Auschwitz, Carel Visser, 1967.

Visser ontwierp het beeld midden jaren ’50. Er was een internationale prijsvraag voor een Auschwitz monument uitgeschreven. (Hij kreeg de opdracht overigens niet.) We zien geen lijken, geen bergen haar, geen gruwelijke beelden, maar een lineaire en driedimensionale constructie waar je over struikelt als je je erin zou begeven. Heel gestileerd laat Visser de schoorstenen van de verbrandingsovens zien en stelt ze tegenover spoorbaan en dus Die Rampe, het perron, waar de eerste selectie voor de gaskamers werd gemaakt. Met die kennis krijgt het beeld emotionele diepte.
Links van het pad naar het gebouw staat Two adjacent pavilions, 2 spiegelcabines, van Dan Graham. Graham maakt veel constructies met transparant glas, maar hier staan twee paviljoens die de omgeving weerspiegelen en waarin je je, via een schuifdeurtje, onzichtbaar van buiten, kunt terugtrekken.


Two adjacent pavilions, Dan Graham, 1978 / 2001.

Een tuin en een bos
In 1961 opende, nog steeds onder het directoraat van Hammacher, het beeldenpark rondom het museum. Dat is dus het deel achter het museum met tussen de bomen het prachtig gladgeschoren gras. Aan dit deel moest ik indertijd denken toen ik bij de Fondation Maeght binnenstapte waar Hammacher lang in de Raad van Toezicht heeft gezeten. Ook daar had ik de ervaring dat de manier van exposeren, het neerzetten van de beelden in de natuur, invloed heeft op de beleving van kunst.


Drijvende sculptuur, Otterlo, Marta Pan, 1960/61

Achter het museum begint de tuin en het bos dat ongeveer 25 hectare groot is. In de zomer van 2020 staan er185 beelden en/of installaties in de tuin en het bos. Er is kunst van de vroege 20ste eeuw, onder meer Rodin, Bourdelle, Wouters, Lipschitz en Permeke, tot een recente installatie in de natuur van de Franse kunstenaar Pierre Huyge: La Saison des Fêtes. Dat werk, een cirkelvormige beplanting rond een palmboom, werd officieel geopend in de zomer van 2016 en zag er toen, na zes jaar noeste arbeid, fris en vrolijk uit. Dat werd steeds minder fris en al eigenlijk helemaal niet zo vrolijk. Eerlijk gezegd vind ik de voor het museum gemaakte time-lapse film van Arttube waar je in sneltreinvaart ziet hoe dit enorme kunstwerk tussen 2010 en 2016 werd opgebouwd met happers, vrachtauto’s vol zand, betonmolens, nog meer happers en mannen die bezig zijn, spannender dan het kunstwerk wat inmiddels wat troosteloos is geworden. Planten uit de hele wereld zouden ons moeten herinneren aan feestdagen hier en elders, maar de natuur is niet zo makkelijk geïmponeerd door dit soort mooie uitgangspunten.
De meeste beelden staan permanent in de tuin en het bos, wat niet wil zeggen dat er geen veranderingen plaats vinden. Zo nu en dan verdwijnt een beeld. Soms valt een beeld op dat er toch al langer ligt, zoals dit jaar 43 Roaring Forty van Carl Andre uit 1988: op het gazon ligt een lijn  van 43 platen gewalst staal. Omringd door klassieke beelden van ondermeer Rodin, Permeke, Bourdelle en Lipchitz, trokken die mijn aandacht. Eerder had ik deze minimalistische beeldhouwer letterlijk over het hoofd gezien! Het stalen pad is in 1990 gekocht bij het afscheid van directeur Rudi Oxenaar.

Natuur- cultuur
Bremmer, de adviseur van mevrour Kröller, had sterke opvattingen over het al dan niet samengaan van de natuur en de cultuur. Hij vond dat kunstbeleving in de natuur een extra waarde had door de rust die je daar vindt, los van de drukte in de stad. Cultuur in de natuur was het belangrijkste motief om het nieuwe museum voor het Nederlandse volk in een natuurgebied te bouwen. Lees meer hierover in Kröller-Müller museum 1 op onze site.
Mevrouw Kröller en Bremmer hadden een kleine beeldencollectie opgezet. Heel opvallend zat hier ook niet-Europese sculptuur bij, uit Afrika, China en Japan. Een deel van de Japanse beelden, monumenten voor jong gestorven familieleden, staan nog bij de Franse Berg. Voor de oude ingang van het museum ligt de omgekeerde graftombe, The overturned tomb, van Huang Yong Ping (1954-2019) uit 1994. Ping werkte indertijd Parijs, maar maakte gebruik van zijn Chinese achtergrond, zoals hier een gestileerde tombe, met de binnenkant naar boven. Het is een markant beeld, goed te zien vanuit de laatste zaal van het museum.


The overturned Throne, Huang Yong Ping, 1994.

Dit betonnen beeld van een avant-gardistisch kunstenaar lijkt een verwijzing naar het oudste deel van de collectie. Het herinnert me aan het grote zandstenen Gewei dat John Rädecker in 1929 in opdracht van mevrouw Kröller maakte en dat aan de voet van de Franse Berg ligt. Dat is kleiner maar heeft een vergelijkbare structuur.


Gewei, John Rädecker, 1928/29.

In overleg met Henry van der Velde, de architect van het oude museumgebouw, werden in de beginperiode zulke opdrachten voor monumenten gegeven aan onder meer Rädecker en Mendes da Costa.
Nadat de collectie door Hammacher met beelden werd uitgebreid, was het niet meer dan logisch dat er in 1953 een eigen zaal voor werd gebouwd, toegevoegd aan het oude museum. Hier staat nu het voor mij zo belangrijke Paard en Ruiter van Marino Marini, beelden van Henri Moore, Archipenko en Barbara Hepworth.


De beeldenzaal uit 1953 achter het oude deel, is inmiddels de verbinding geworden met de uitbouw van Quist uit 1971/1977.

Bizondere paviljoens in het bos
Rietveld ontwierp in 1954/55 een tentoonstellingsgebouw voor de driejaarlijkse Internationale Beeldententoonstelling in het Arnhemse park Sonsbeek 55. Dit Sonsbeek paviljoen was een tijdelijke constructie. Later gingen er stemmen op om het legendarische paviloen opnieuw op te bouwen. Dat gebeurde In 1965 in de beeldentuin. In de ijle en elegante constructie krijgen de beelden een mooie ruimte die je het gevoel geeft dat ze toch buiten staan, beschermd weliswaar, maar IN de natuur. Er staat werk van de Engelse beeldhouwster Barbara Hepworth en van de Nederlanders Wessel Couzijn en Herman de Vries.


Rietveldpaviljoen, 1954/55 – 1964/65.

De volgende belangrijke uitbreiding in het beeldenbos is het paviljoen van een andere belangrijke Nederlandse architect Aldo van Eyck ( 1918-1999) dat hij in 1965-1966 ontwierp voor de 5e Internationale beeldententoonstelling Sonsbeek ’66. Pas in 2005 werd het, in nauw overleg met de weduwe van Van Eyck, net als het Rietvelpaviljoen, permanent in het beeldenbos herbouwd.


Aldo van Eyck-paviljoen, 1965-1966 / 2004-2005, foto gemaakt tijdens de restauratie in 2018.

In 2018 werd het gebouwtje gerenoveerd en kon ik prachtig de opzet en de ruimteverdeling filmen. In hun kaalheid vielen de strakke donkere schaduwen van de open balken uit de dakconstructie op samen met de bewegelijke schaduwen van de bladeren uit bomen. Zulke mooi opgebouwde gebouwtjes kunnen ook als grote beelden worden beschouwd. Als de beelden er staan, kijk je toch minder naar die ruimte zelf. Een beeld is tenslotte een volume in de ruimte. Als die ruimte een beeldenbos is, kan het beeld ook een paviljoen zijn waarin weer andere beelden zijn opgenomen.

 

Schenkers en ontvanger
Wie de geschiedenis van de beeldencollectie bekijkt, ziet een aantal belangrijke schenkingen en langdurige bruiklenen. In 1960 werd het grote bronzen beeld Zang der Vocalen van Lipchitz gekocht. Het valt meteen op als je de beeldentuin achter het museum in gaat. Door het contact van Hammacher met de Yulla en Jacques Lipchitz Foundaton kwamen in 1976, in zijn pensioen, 41 gipsen modellen voor groter werk in de collectie. De Foundation schonk nog eens een aantal vroege en late beelden.


Le chant des voyelles, Zang der Vocalen, Jacques Lipchitz, 1931/32.


Een deel van de Lipchitz collectie werd in 2019 tentoongesteld bij de eigen (tijdelijke) collectie presentatie.

Zowel Professor Piet Sanders en zijn vrouw Ida, als het verzamelaarsechtpaar Martin en Mia Visser schonken grote groepen beelden uit hun collecties. Het contact met verzamelaars en kunstenaars is cruciaal voor een museum. Een belang dat overigens tweezijdig is: als een gerenommeerd museum als het Kröller-Müller een schenking van een kunstenaar of een verzamelaar aanvaardt, is dit een erkenning voor de verzameling en voor de kunstenaar. Deze erkenning zal de verzameling, of het werk van de kunstenaar een financiële impuls geven, zoals dat heet. Kortom, het wordt meer waard.

Beeldenbos
In het nieuwste deel, het Beeldenbos, dat in 1988 open ging, ligt de nadruk op kunst uit die tijd: de Arte Povera, met een bijna onvindbare bronzen boom van Penone, een kunstwerk van Luciano Fabro en een iglo van Mario Merz. Kunstwerken die hoewel vaak al meer dan veertig jaar oud, nog steeds niet meteen als Kunst zullen worden herkend. Die vraag wat kunst is, is een doel van deze kunstenaars. Is een kunstwerk alleen maar kunst als je dure materialen, als brons, marmer en dergelijke gebruikt en iets uitbeeldt? Zij betwisten dat en gaan terug niet alleen naar eenvoudige (armoedige / povera) materialen, maar ook naar voorstellingsloze kunst, of kunst die zo natuurgetrouw is, dat het werk, zoals de bronzen Otterlose Beuk van de Italiaan Giuseppe Penone, ternauwernood opvalt in het bos.


Otterlose Beuk, Giuseppe Penone, 1987/88.

Het verschil met de Amerikaanse Minimal Art, van kunstenaars als Donlad Judd, Carl Andre en Sol Lewitt is dat die vaak in series, herhalingen denken. Een minimal art kunstenaar als Lewitt vonden het niet eens belangrijk dat een werk door hem zelf wordt uitgevoerd. Zijn ‘gebruiksaanwijzing’, de beschrijving wat en hoe iets moest worden gemaakt werd gekocht en werd door zijn medewerkers, dat wel, uitgevoerd.
In zo’n groot bos kun je letterlijk een kunstwerk ontmoeten, zelfs als je speciaal met de plattegrond op zoek naar iets gaat. Zo ontdek je hoe dan ook andere werken dan je zocht. Ik vind het fijn me zo te laten verrassen, verwonderen. Zo’n kunstwerk staat er iedere keer anders bij, afhankelijk van het jaargetij, de warmte, de route en mijn eigen zin in de dag.

 


Needletower, Kenneth Snelson, 1968.

Als ik aan het Beeldenbos denk, denk ik, vrij associërend, aan de 300 treden lange trap naar de Franse Berg, van Krijn Giezen (er zijn inmiddels wel dwarsleuninkjes op gezet); aan het Sculpture flottante, Otterlo, 1960 – 1961van Marta Pan (het grote witte kunststoffen beeld en de vijver waar het op drijft); aan de glimmende koperen sculptuur van Jean Arp uit 1953 (Berger de nuages, Wolkenherder); aan de Needletower uit 1968 van Kenneth Snelson. Beelden die hoewel ze niet naast elkaar staan toch een verbinding in mijn herinnering aangaan waarin beweging een rol speelt.

2020 Heropening Jardin d’émail
In de zomer van 2020 is eindelijk het beroemde Jardin d’émail van Jean Dubuffet uit 1974 weer open. Door een jarenlange restauratie kon je er niet meer op. Dubuffet staat in de lange 20ste-eeuwse traditie van kunstenaars die geïnspireerd zijn door de onbevangenheid. Ze zochten hun inspiratie of wel in ons onderbewuste of in tekeningen van kinderen en geesteszieken of in het totale niets, het tabula rasa. Afkeer van de cultuur is deze kunstenaars niet vreemd. Dat is geen moderne denkrichting: Rousseau vond al op het einde van de achttiende eeuw dat de cultuur de mens bedierf. En onder cultuur viel eigenlijk de hele opvoeding.


Jardin d’émail, Jean Dubuffet, 1974.

Dubuffet gaf zijn kunstvorm een naam L’Art Brut; hij wilde kunst als ruwe kunst. Deze witte stralende tovertuin, waar je via een klein trapje in de boom opkomt, is een voorbeeld van zijn latere manier van werken met spontane/ toevallige organisch ontworpen vormen. Jardin d’émail is als een besloten kloostertuin uit de middeleeuwen, echter zonder de strakke structuur. Zo’n wereld met enorme wit/zwarte vormen, hobbels en bobbels daagt je uit: mee bewegen of stilzitten? Kinderen zijn de eersten die beginnen te rennen en springen en klimmen.

Binnen <-> Buiten
Binnen staan er natuurlijk ook beelden. Ik wil er een uithalen, een kunstwerk dat een mooie band met buiten heeft. In 2020 keerde The Wish-ribbon net, van de Braziliaanse Ana Maria Tavares uit 2008 terug in een zaaltje van waar je door een rij ramen bomen ziet staan. Haar beeld is 9 meter lang, vier meter breed en bestaat uit eindeloos veel gekleurde bandjes, veters, van 50 cm gekleurd polyster en nylon. Door er tegen te blazen komen er enkele in beweging. Ze hebben de kleur van zwembad water, of liever gezegd waterpixels: turquoise, licht blauw, wit, donkerblauw, grijs roze zilver. Het is een waterval van stukjes kleur. Op zo’n hete zomerse dag in 2020 met meer dan 30 graden, was mijn associaties niet alleen het water, maar ook bewegende schaduw. Op de boomstammen buiten zag ik bewegende diffuse schaduwen van bladeren in het zonlicht. Trillend licht dat ik binnen bij ‘The Wish-ribbon net’ ook meemaakte.


The Wish-ribbon net, Ana Maria Tavares, 2008.

De beeldencollectie van het Kröller-Müller museum is breed en verrassend. Ik maak bij ieder bezoek een keuze en vaak draait het er op uit dat ik een aantal zalen ga zien en een zwerftocht door het Beeldenpark maak. Aanrader.

 

NB
De schilderijencollectie en de beelden die in het museumgebouw staan, worden in het eerste stuk: Kröller-Müller 1 besproken. Daar staan ook De Voorzieningen. Hier alleen de noodzakelijkste praktische informatie. (Door Covid 19 is er ook voor het museumbezoek aan het Kröller-Müller Museum veel veranderd. Kijk op de website!)

Informatie en voorzieningen

Het Kröller-Müller Museum

Houtkampweg 6; 6731 AW Otterlo

W website Kröller-Müller

T 0318 591 241

di t/m zo 10.00-17.00 uur; In de zomer tot eind augustus ook op maandag geopend. Kijk altijd op de website van het museum naar de actuele informatie!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.