Op weg naar de kunst

Bestel hier onze: Gids naar Nederlandse musea Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Haarlem, Teylers Museum

Fluisterschalen, fossielen, oplichtend gesteente en prachtige tekeningen
Je eerste associatie bij het begrip museum is toch een gebouw waar KUNST in wordt getoond? Maar dat vertonen van alleen maar kunst is een relatief nieuwe toestand, slechts zo’n honderdvijftig jaar oud. Daarvoor bestonden Konstkammers waar allerlei bijzondere dingen werden getoond: gesteente, meetkundige objecten, moderne machines, misschien ook wel speeldozen met dansende figuurtjes en ook kunst.

De Konstkammer was een hobby van de elite: zowel wereldlijke, als ook kerkelijke vorsten legden bijzondere verzamelingen aan. Later wilden rijke burgers niet voor hen onderdoen en begonnen eigen collecties. De Haarlemse bankier en zijdekoopman Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) besloot in 1756 dat zijn nalatenschap in een Stichting moest worden ondergebracht die tot doel had kunst en wetenschap te bevorderen. De executeurs van dat testament besloten dat er dan ook een gebouw moest komen voor de toekomstige collecties. Ze lieten het pal achter Teylers woonhuis bouwen, het ging in 1784 open.

In 1878, honderd jaar later, besloot men dat er een uitbreiding moest komen en werd de ingang naar Het Spaarne verlegd. Er kwamen nieuwe zalen bij en een entree op stand met in de hal stuc engeltjes en een koepel. Nog steeds is het een deftige ingang met herinneringen aan een barokkerk.


Hal Teylers museum.

Ruim honderd jaar later bouwde Herbert-Jan Henket, al weer in 1996, er een nieuwe vleugel bij voor het restaurant, een tentoonstellingszaal en educatieve ruimtes. In 2002 ontwierp hij de museumwinkel aan de zijkant van het gebouw.


Vanuit de winkel kun je de buitenkant van het oude gebouw bekijken.

Uit dit soort doorkijkjes van nieuw naar oud, blijkt hoe zorgvuldig Henket te werk ging. Hierdoor verbindt hij visueel, waar mogelijk, het nieuwe deel met het oude deel. Zo kun je in de gang bij het restaurant door een dakraam nog net het torentje van de oude sterrenwacht zien.
Van oudsher werden niet alleen stenen, wetenschappelijke instrumenten en kunstwerken verzameld, maar ook boeken. Teylers heeft een indrukwekkende bibliotheek die ook via hun website is te bekijken. Zo was Teylers lange tijd een instituut van de nieuwste tijd, men kocht voorbeelden van nieuwe technologieën en hedendaagse kunst. De bibliotheek is gedeeltelijk nog in de ovale zaal te zien: wie naar boven kijkt, ontdekt, achter de groene gordijntjes, de boekenkasten langs de ronde gang van de verdieping.


Ovale Zaal, detail, 2021.

De bibberlijnen van de nieuwe tijd
Ik heb een lange band met Teylers: opgegroeid in Overveen, bezochten we het Teylers en het Frans Halsmuseum. Maar eigenlijk vond ik Teylers het leukste want toen werd, zo meende ik me in ieder geval te herinneren, bij een bezoek met de klas de grote elektriseermachine uit 1784 aangezet. Het is een enorm gevaarte met flessen en verbindingen. Grote glazen schijven werden aangedraaid en vonken sprongen horizontaal over met van die oplichtende bibberlijnen zoals je soms op foto’s van een blikseminslag ziet. (Bij navraag bleek dit niet te kloppen, want ook toen werd dit al niet meer op zaal gedaan. Ik heb waarschijnlijk de vonken en de elektrische bibbers van een kleiner model gezien. Tegenwoordig vindt onze kleinzoon die machine door een levendige uitleg ook een van de leukste dingen in het museum.)

De elektriseermachine van voet tot kop
De elektriseermachine uit 1784 van voet tot kop

De elektriseermachine uit 1784
Detail elektriseermachine waar de vonken overslaan

Alice in Wonderland
Een toverachtig gezicht waarnaast de fluorescerende stenen in het donkere zijkamertje verbleekten. Beide zijn er nog steeds en beide hebben nog steeds een magische aantrekkingskracht. In die afdelingen hangen de oude bijschriften die alles nog geheimzinniger maken. (Vanwege Corono zijn deze kleine zalen, het Goochel- en Luminescentiekabinet, voorlopig gesloten.)


Voor mij onbegrijpelijk bijschrift.

Dit soort details zijn smaakmakers, ze passen bij het interieur, de vloeren met gietijzeren roosters en prachtige plavuizen, de houten kasten die in het gelid staan opgesteld vol met dingen waar de kunstliefhebber zich over verwondert. Is dat niet het doel van een museum: verwonderen en informeren? Het Teylers noemt zichzelf tegenwoordig ook “Het Museum van de Verwondering.”


Vitrines met geologische vondsten

Dat de elektriseermachine niet meer wordt aangezet, is niet zo belangrijk. De enorme installatie herinnert me nu aan werk van Kounellis waarbij energie, soms gestold in steenkolen, of uit een reeks  gasbranders, vaak een belangrijke rol speelt.
In de eerste zalen van het Teylers staan, net als vroeger de vitrines en kasten vol kristallen, fossielen en (muziek)instrumenten. Deze vleugel eindigt in de elegante ovale zaal. Ooit begon hier de collectie. Toen kwam men nog door het huis van Teyler direct in deze Ovale Zaal. Binnenkort wordt het woonhuis na een uitvoerige restauratie toegankelijk voor het publiek. Boven staan de boeken vol kennis in de kasten achter de groene moiré gordijntjes. In de kasten in de zaal staan (nog steeds) wetenschappelijke instrumenten.

Deze eerste zalen geven je het gevoel in het Wonderland van Alice te zijn. Je ziet, in ieder geval ik zie nog steeds, van alles wat ik niet ken en al helemaal niet weet waarvoor het dient of diende. Misschien beleven techneuten de kunstzalen wel op deze manier. Er is zelfs een klein kabinet met goocheltrucs. Lering en vermaak lagen indertijd dicht bijeen, misschien wel net zo dicht als in de huidige musea. Mijn selfie krijgt in de ovale zaal een aparte draai door het holle-spiegel-effect. Het wordt op een ouderwets kaartje uitgelegd.


Selfie in de holle spiegel

Facsimilé’s en schilderijen
Achter de zalen die aan de wetenschap zijn gewijd, zijn het prentenkabinet, de zaal met de numismatiek (munten) en de twee Schilderijenzalen. In de Eerste Schilderijenzaal liggen grote dozen met fascimilé’s, uiterst zorgvuldige reproducties, uit de enorme prenten en tekeningen collectie van het Teylers.


De Eerste Schilderijenzaal met de tafel waar je facsimilé’s kunt bekijken. Er achter de kast waar de dozen staan.

Er liggen altijd wat dozen op tafel en je kunt die weer inpakken en ruilen voor andere uit de kast. Het is een intieme en traditionele manier van kunst bekijken. Van oudsher werd werk op papier eerder in de hand bekeken, dan aan de muur gehangen. Als prenten lang in het licht hangen, vervaagt de inkt en uiteindelijk zal een groot deel van de voorstelling vervagen. (Vandaar dat grafiek tentoonstellingen nooit lang duren. Deze kunstwerken kunnen hoogstens drie maanden in het licht van een tentoonstellingszaal.)

De twee Schilderijenzalen zijn min of meer in hun authentieke staat gelaten. Het zijn twee prachtige ruimtes. De eerste met de groene muren werd in 1838 aan het museum toegevoegd, om “een vertoonplaats van levende Nederlandsche Meesters” te maken.


De Tweede Schilderijenzaal

Hier werd waarschijnlijk voor het eerst permanent hedendaagse kunst getoond! De inrichting uit die tijd met rijen schilderijen boven elkaar bleef gehandhaafd. Dat maakt nu een vrolijke overvolle indruk waardoor je de tijd moet nemen om te kiezen wat je goed wilt zien. Let op er zijn interessante combinaties gemaakt. In de tweede zaal zien we levende meesters uit de negentiende eeuw, die vaak doorwerkten tot in de twintigste eeuw.

Het is leuk om lopend tussen de twee zalen naar het verschil tussen het werk in beide zalen te zoeken.
Wat zien we? Laten we eerst eens het landschap bekijken. In de eerste groene zaal wordt een Hollands vergezicht, voor ons begrip, nogal saai neergezet. Zo’n groot schilderij van H.J. Weissenbruch uit 1849 lijkt meer op een geïdealiseerde ansichtkaart dan op een schilderij waar we intussen op de persoonlijke toets van een schilder.


Gezicht op Dekkersduin, H.J. Weissenbruch, 1849


De molen, J.H. Weissenbruch, 1899. (Overigens dezelfde schilder als H.J.)

Wij zoeken naar de visie van de schilder op het landschap. Zijn beleving en weergave van dat specifieke stukje landschap willen we herbeleven. De losse toets is in die tijd een revolutionair hulpmiddel voor om de individualiteit van de kunstenaar te kunnen herkennen. Die vinden we wel in de tweede schilderijenzaal, bijvoorbeeld in een schilderij van, let op, dezelfde Weissenbruch dat hij weliswaar vijftig jaar later maakte.
In de details ligt het grote verschil: in het werk uit 1849 zien we zelfs nog dat meisje op het zandpad een wit hemdje onder haar donkere jakje draagt. Bij de molen is alles toets en streek, niets lijkt vastomlijnd. Het eerste schilderij ligt nog helemaal in het verlengde van de Hollandse 17e-eeuwse schilderkunst, het latere schilderij staat in de moderne tijd. Weissenbruch is dik in de 70 als hij het schildert. Ik vind het altijd boeiend zo’n ontwikkeling naar een nieuwe manier van werken te zien, In het Teylers kun je die dus zelfs bij één schilder volgen.


Detail Gezicht op Dekkersduin, H.J. Weissenbruch, 1849


Detail De molen, J.H. Weissenbruch, 1899

Vrijheid van de 19e-eeuw
In deze tweede zaal hangt ook het ontroerende De tuin dat de Haarlemse schilder-schrijver Jacob van Looy in 1893 maakte. We zien hoe zijn vrouw Titia (van Gelder) een bosje Oost-Indische kers plukt. Er zijn weinig echte fijn geschilderde details en toch weten we: dit is O. I. Kers. Straks zet ze het bosje misschien in zijn atelier, of op tafel. Doordat Van Looy de bloemenzee zo specifiek schuin van boven heeft uitgesneden, krijgen we het gevoel in een overweldigende tuin te staan. De werkelijkheid was anders: hun huis in de Amsterdamse Pijp had een piepklein tuintje. Je ziet hoe verliefd Van Looy op zijn vrouw is, met hoeveel verve hij haar ook ‘in bloei’ heeft gezet, zoals hij een vriend schreef.
Van Looy maakte dit werk het kort nadat hij in Frankrijk was geweest en daar hoogst waarschijnlijk de moderne kunst van Impressionisten had gezien. Hier vonden de critici deze bijzondere compositie niet goed, zijn collega’s daarentegen konden het wel waarderen.


De tuin, Jacob van Looy, 1893

In de negentiende eeuw veranderde de manier van schilderen. Dat had niet alleen met mode te maken, maar ook met praktische zaken als verf die in tubes werd verkocht. Nu konden de schilders langer met één kleur werken: sinds kort konden ze een dop op de tube open en dicht draaien waardoor de verf zacht blijft. Voorheen werd verf in een stuk varkensblaas bewaard, of in een potje dat goed werd afgesloten met een laagje olie, maar echt effectief was dat niet. En eenmaal gedroogd was het niet meer te gebruiken.


En plein air, P.J.C.Gabriël, 1870

Met de tubes verf in de kist trokken schilders in de tweede helft van de negentiende eeuw naar buiten. Dat was pas revolutionair! Die frisse wind was letterlijk voelbaar. De Haagse School schilders volgden het Franse voorbeeld en werkten als het enigszins kon buiten. Ze maakten hun grotere schilderijen in het atelier, maar wel op zo’n manier dat de kijker het gevoel krijgt dat die buiten gemaakt had kunnen worden. Men beriep zich daarbij ook op het Hollandse 17e-eeuwse landschap. Die zijn toch, grappig genoeg, allemaal in het atelier gemaakt.
Aan het einde van de19e eeuw sloeg de vrolijkheid in de prachtige natuur soms om in mededogen met de werkende mens. De Haagse School, kreeg concurrentie van de Amsterdamse school. Schilders als Roelofs, Jacob Maris en Weissenbruch, Jacob Israëls werden verdrongen door het aanstormend talent van Breitner, Mauve, Weissenbruch en Witsen, waar het Teylers alleen prachtige grafiek van heeft gekocht. Dienstmeisjes, schaapsherders, de werkende mens werden onderwerp. De schilders toonden eerder de ontberingen, dan het liefelijke karakter van het ‘volk’.


Twee dienstboden op een Amsterdamse brug bij avond, George Hendrik Breitner, 1890

Een verfijnde dame zoals Jan Adam Kruseman die nog een eeuw eerder schilderde, is geen onderwerp meer voor deze jonge schilder.


Hendrina, Eclasina Geertruida Vinju-Heije, A.Kruseman, 1834.

Vrouwen in de 19e-eeuw
Als je door de Tweede Schilderijenzaal loopt, valt op dat er tussen al die mannen ook vrouwelijke schilders zijn. Vroeger zou het geen onderwerp zijn of er werk van mannen en vrouwen hangt. Tegenwoordig is hier meer aandacht voor, net als in 1975 bij de oprichting van de Stichting Vrouwen in de Beeldende Kunst. Onder leiding van Liesbeth Brandt Cortius vroeg een actieve groep vrouwelijke conservatoren, kunsthistorici en journalisten aandacht voor het feit dat vrouwen ook in de beeldende kunsten altijd ondergeschoven en achtergesteld zijn.


Henriëtte Ronner-Knip, De Pianoles, ca 1895.

Pas in het midden van de 19e-eeuw werd het makkelijker voor vrouwelijke kunstenaars om hun werk op de markt te krijgen. Ze kregen mondjesmaat toegang tot de academies waar ze slechts een beperkte opleiding konden volgen.Na de gebruikelijke ballotage deden ze mee aan de grote salons (tentoonstellingen) waar prijzen werden uitgereikt, waardoor het werk persaandacht kreeg. Een enkeling slaagde er in, soms met hulp van een kunsthandel, een eigen klantenkring op te bouwen. Daarnaast waren er de dochters van kunstenaars die thuis in het atelier van hun vader het vak leerden zoals Thérèse Schwartze, Elisabeth Alida Haenen, Henriëtte Ronner-Knip en Coba Ritsema, of zoals Lizzy Ansingh bij haar nicht Schwartze. Meestal maakten vrouwelijke kunstenaars stillevens en portretten vooral van mensen, maar ook van dieren. Degelijke kunst waarvoor ze een opdracht kregen. Daardoor verdwenen de schilderijen vervolgens achter gesloten deuren in huizen en werd het zelden door musea aangekocht. Zo raakten hun namen in vergetelheid. Hun succes bij deze rijke klantenkring bleek de grootste handicap voor latere erkenning.


Lizzy Ansingh, Portret van Coba Ritsema, 1905.

Het Teylers heeft een aantal vrouwelijke kunstenaressen uit de 19e en vroege 20ste eeuw in de Tweede Schilderijenzaal bijeengebracht. Er hangt werk van Ronner-Knip, Lizzy Ansingh en van Lucie van Dam van Isselt, ook al een dochter uit een patriciërsfamilie. Ze maakte een prachtig klein stilleven: een zilveren bekertje met madeliefjes voor een grijzige muur op een donkerder vlak. Eén bloempje ligt naast het vaasje.


Lucie van Dam van Isselt, Madeliefjes in een zilveren beker.

Hoewel je zou denken dat het door al dat grijs een somber schilderijtje is, vind ik het opgewekt. Het bosje witte bloemetjes met gedempt gele hartjes lijkt achteloos in het zilveren bekertje gezet. Het is  zo’n bosje dat je jaarlijks plukt om de lente op de tafel te zetten. Van Dam van Isselt schildert het niet pietepeuterig, maar zet alles fors neer in het kleine schilderijtje. Geen gepriegel met blaadjes maar hupsakee kleur en schaduw.

Verrassing aan Het Spaarne
Er staat aan het Haarlemse Spaarne zo’n museum dat je hoopt tijdens een vakantie te vinden. Weer thuisgekomen vertel je vol tevredenheid over de bijzondere ontdekking die je in Haarlem hebt gedaan: het Teylers Museum.
Het is een plezier om door het wonderlijke gebouw te dwalen, ook voor Haarlemmers die er niet voor met vakantie hoeven te gaan. Ik kan me voorstellen dat je bij een eerste bezoek wellicht wat verbaasd bent door de vreemde plattegrond, maar het is een kwestie van kijken, doorlopen en nieuwsgierig zijn. Blijf wat langer staan bij wat je aandacht trekt, loop verder en ontdek meer verrassingen.


Plattegrond uit de folder


Winter tuin, 2018

Het restaurant ligt prachtig aan de tuin met oude bomen, door de hoge ramen heb je zomers en ‘s winters een mooi uitzicht. Het is er behoorlijk gehorig, dat is jammer. Als het even kan, buiten gaan zitten, dat lost alles op!

NB
Op 5 december 2021 opent Teylers Huis, een prachtige toevoeging bij het museum over de Doopsgezinde vrijdenker Pieter Teyler, 1702-1778. Wij schreven er een apart stuk over.
Wij vonden de Lorentz Formule, een theater voorstelling die op vrijdag, zaterdag en zondag wordt gespeeld heel leuk. Niet iets voor kleine kinderen, maar wel voor 11 jaar en ouder.

PS
Wie vooruit denkt, bestelt bij de boekhandel reeds in verband met feest- en verjaardagen voor de leukste familieleden, de beste vrienden en de aardigste buren en voor wie je verder een leuk cadeautje zoekt, onze:
Gids naar Nederlandse musea, Op weg naar de kunst
Auteurs: Micky Piller en Kristoffel Lieten; Uitgever Waanders in de Kunst.
En altijd actueel door de QR codes die verbinden met onze site en van het museum!

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Informatie en voorzieningen

Teylers Museum

Spaarne 16, 2011 CH Haarlem
W http://www.teylersmuseum.nl
T 023 5160.960
di t/m vrij 10.00-17.00 uur; za,zo & feestdagen: 11:00 – 17:00 uur, LET OP:  zie de website van Teylers voor actuele informatie

bereikbaarheid
15 min lopen van Station Haarlem
naast de deur is parkeergarage De Appelaar, die is vrij duur
collectie informatie
alleen indien nodig aangebracht: wijst vanzelf
digitaal - app leuk, eigenlijk voor kinderen
vriendelijkheid
suppoosten top voor volwassenen en voor kinderen
winkel bizonder vriendelijk voor kinderen
kinderactiviteiten
aanwezig zie website
museumrestaurant
goed, bio karnemelk in een glas
leuke keuze, goed brood en royaal beleg
wc
prachtig met mooie vogels
niet zo makkelijk te vinden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.