Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Enschede: Rijksmuseum Twenthe

Een Rijksmuseum met een eigen Gouden Eeuw
Het Rijksmusea in Enschede is een van die musea die door particulieren aan de staat werden geschonken. De vaste collectie staat ongeveer drie jaar en tot juni 2018 stond de invloed van de familie Van Heek, Twentse textielfabrikanten, centraal. Uit hun gezin kwam het idee van een museum in Twente. Ze schonken belangrijke kunstwerken en bepaalden in de eerste decennia het beleid. Jan Herman van Heek was de eerste directeur van het museum.
Voor de volgende jaren is nu een rigoureuze herinrichting gemaakt waarin de nadruk niet langer op de collectiegeschiedenis ligt. Er is gekozen voor een spannende tweedeling: de Schatkamers zijn ingericht met thema’s als de Middeleeuwen, kunstnijverheid, portretten, Arcadië en landschap. Elders in het gebouw geven negen kunstenaars hun visie op de collectie in de tentoonstelling Ars longa Vita brevis. Die opmerkelijke dubbel presentatie alleen al is de moeite waard om naar toe te gaan.


Hoe het allemaal begon
De Gouden Eeuw van Twente viel in de 19de eeuw, toen de textielbaronnen hun fabrieken openden en een groot vermogen verworven. De familie van Heek heeft dat vermogen deels in de kunst geïnvesteerd. Jan Bernhard Van Heek koos bijvoorbeeld voor de 17e tot en met de 19e-eeuw; zijn broer Herman had een voorkeur voor de Middeleeuwen. Hier over is meer informatie te lezen  op onze website onder Enschede 1: Rijksmuseum Twenthe. Zo blijven de inmiddels opgeborgen kunstwerken nog zichtbaar.


Zaaloverzicht 2018: in de voorgrond Palmezel met Christus, Zuid-Duitsland, 1300-1350

Een van mijn lievelingsstukken uit de collectie is de meer dan levensgrote houten Palmezel met Christus uit Zuid-Duitsland. Zo’n Christus beeld werd op Palmzondag, net als Jezus in Jeruzalem, door de stad gereden. De zegenende Christus is noch van zijn ezel, noch van de kar gesloopt en zelfs de beschildering, polychromie, zit er nog op. Dat is na zeven eeuwen een klein wonder. Het werd natuurlijk door de eerste directeur Jan Herman van Heek gekocht net als veel kunstwerken uit de ‘Schatkamer De Middeleeuwen’ met schilderijen van Dirk Bouts,  Hans Memling, Jan Provoost en de Meester van Hoogstraeten. In een vitrine staan eeuwenoude Franse reliekschrijnen.

Anders dan anders
Het museum had lang de naam een hobby van rijke fabrikanten te zijn. Dat bleken helemaal geen hobbyisten te zijn, maar mensen met kennis die een goede collectie opbouwden. Eenzijdig gericht op de oude kunst, dat wel, maar daar is in de loop van de tijd verandering ingekomen. In de laatste jaren kwam er steeds meer aandacht voor de onderlinge verbanden van het eigen bezit en ontstonden al eerder verrassende ensembles. Daarnaast maakt het Rijksmuseum Twenthe jaarlijks bizondere tijdelijke tentoonstellingen. In 2018 werd ondermeer een prachtige Paula Modersohn Becker expositie getoond, werd het glas van Bernard Heesen opmerkelijk gepresenteerd en wordt aan het einde van het jaar Lief en Leed geopend, een tentoonstelling over de beroemde Nederlandse portrettist Johannes Verspronk.


Zaaloverzicht zomer 2018 Ars Longa Vita brevis door Anne Wenzel

Eind juni 2018 opende de herinrichting. In de linkervleugel zijn de ‘Schatkamers’. Wie begint bij de Schatkamers krijgt een mooi beeld van de reikwijdte van het eigen bezit: kunst uit de middeleeuwen tot in de actualiteit. In de rechtervleugel hebben negen kunstenaars evenzoveel zalen gevuld. Zij kregen de kans alle kunstwerken van het museum digitaal door te nemen en met hun eigen werk te combineren. Zo ontstonden negen interpretaties op delen van de collectie. Het hoofdthema van hun zalen is Ars longa Vita brevis, populair vertaald: de kunst bestaat lang en het leven is maar kort. Oorspronkelijk werd bedoeld dat het lang duurde voordat men het vakmanschap bereikte waarmee een (kunst)werk kon worden gemaakt, terwijl het leven slechts kort is.  Binnen dit thema bieden de kunstenaars een persoonlijke en vaak complexe visie op de verbinding tussen oudere kunst, of soms niet zo heel oude kunst, met hun eigen werk.

Is het wel anders?
Tegenwoordig wordt vaker een combinatie gemaakt van de eigen collectie en hedendaags werk. Echter zelden zijn die opstellingen zo geslaagd als in Twenthe waar de kunstenaars de collectiestukken letterlijk naar de eigen hand konden zetten. Ik vond het een feest en kan dus beamen dat het door geslaagde combinaties inderdaad anders dan elders is. In  de negen zalen van Ars longa Vita brevis zien we negen manieren waarop deze kunstenaars zich kunnen verbinden met dilemma’s, de tweeslachtigheid van het menselijk bestaan. Ze maken daarbij gebruik van intieme digitale bekentenissen, elektronische hulpmiddelen en romantische introspectie of zelfs een typische l’art pour l’art interpretatie van stukken uit de collectie door Philip Vermeulen. Hij zet zijn fascinerende dansende elastiek 10 meters of sound bij het thema Spelen en Beteugeling tegenover het formalisme van de zeefdrukken van de veel oudere Franse kunstenaar Morellet en de Nederlander Peter Struycken. Het is prachtig om naar te kijken maar ook wel beangstigend door het gesis en gefluit en het feit dat je stiekem denkt zouden die elastieken het wel houden? Momentopname van het draaiende elastiek 10 meters of sound, Philip Vermeulen.


Momentopname van het draaiende elastiek 10 meters of sound, Philip Verneulen

Ars longo Vita brevis
Dit zijn wonderschone zalen, je ziet hoe geconcentreerd de kunstenaars hun verbanden opzetten. Of precies zoals directeur Odding zegt: “De hedendaagse kunst resoneert met de oudere kunst en samen vertellen de objecten ons een actueel verhaal. … Oude en nieuwe kunstwerken gaan met elkaar een nieuwe klank aan.” Dit soort combinaties wordt tegenwoordig vaker gemaakt maar die pakken niet altijd zo goed uit als in het Rijksmuseum Twenthe.
Het is een lust de zalen te ontdekken. Je kun altijd afhaken en het onbegrijpelijk of moeilijk vinden, maar ga er vooral onbevangen naar toe. Laat je verrassen, dat is toch een van de leukste kanten van een museumbezoek: je ziet niet alleen het bekende, maar ontdekt hoe het anders kan. De simpele vraag ‘waarom zetten de kunstenaars deze dingen bij elkaar’, kan al tot onverwachte antwoorden leiden. Misschien begreep ik ook niet alles maar het is bijzonder genoeg om nog eens naar terug te keren.
Zo kijk je in de zaal Wilskracht en Onvermogen van Peter Zegveld naar De toren van Babylon, door Hendrik van Cleve III uit de tweede helft van de 16de eeuw. De boodschap is duidelijk:  de mens heeft altijd geprobeerd schier onmogelijke plannen te verwezenlijken, maar voor zulke hoogmoed werd men gestraft met de vloek van de vele talen, de babylonische spraakverwarring. Men kon elkaar niet meer begrijpen en de ambities strandden. De eindeloze poging om alsmaar hoger en beter te willen, laat Zegveld zien door een lichtprojectie met mensen die van hoge trappen donderen. Constant Nieuwenhuys geloofde lange tijd wel in de utopie, het Nieuwe Babylon, de mens die zich door de machine zal  bevrijden en tijd krijgt om creatief te zijn. Diens vier litho’s zijn een mooie tegenhanger.


De toren van Babel, Hendrik van Cleve III, 1550-1600

Het onderliggende thema is de voortdurende tweestrijd in de mens: wilskracht en onvermogen, controle en loslaten, macht en onmacht, leven en sterven. In een van de zalen werkt het kunstenaarsduo L.A.Raeven met Behoefte en Beheersing. De eeneiige tweeling (Liesbeth en Angelique) onderzocht jarenlang het conflict tussen symbiose en zelfstandigheid in bijvoorbeeld moederschap en bij tweelingen. In hun geval: zijn wij verbonden, zijn we nog één ondanks dat we hetzelfde lijken, maar twee personen zijn geworden.


Zonder Titel, L.A. Raeven, tekening, 2014

Angelique tekende de hoogzwanger Liesbeth. Die tekeningen hangen bij een Geboorte van Maria en een Geboorte van Christus door Tilman van der Burch uit de vijftiende eeuw en een Salomons Oordeel, de ultieme test voor de moeder. Ze combineren deze verschillende kunstwerken met hun enorme oranje Mindless Living II uit 2014, een meditatie wieg voor de baby waarin die als het ware kan terugkeren naar de moeder. De eenheid wordt hersteld.
Tegelijkertijd wordt in een witte zacht gevoerde ring, een soort sofa, Mindless Living I,  gedraaid: hun film over samen en niet loskomen. Liggend in de schelp beleef je hun teksten, hartslag in fascinerende zwart-wit opnames. De zusjes geven de traditionele (christelijke) kunst, de symbiose van een tweeling zijn en de eenheid van moeder en kind, een zwiep door hun samenzijn zo extreem en  beklemmend te onderzoeken. Een ontroerende zaal.

Zaaloverzicht zomer 2018, L.A. Raven Behoefte en Beheersing; in de voorgrond Mindless Living II; achter de 15de-eeuwse panelen staat Mindless Living I

Ook in de volgende zalen combineren Berend Strik, Anne Wenzel, Karin Arink, Silvia B. en Armando hun werk met kunst uit de collectie. Armando overleed kort na de opening. Als altijd werkt hij met het thema De schoonheid van het kwaad waarbij in dit geval zijn recente kleurige landschappen samengaan met romantische vergezichten door Gerard van Nijmegen, een schilder uit de 18de eeuw. Armando (1929) groeide op in de buurt van kamp Amersfoort. Na de oorlog vroeg hij zich af of dit soort plekken met de prachtige natuur schuldig zijn omdat er zoveel kwaad is verricht en als het landschap schuldig is, hoe zit het dan met de mensen. Hij had een gecompliceerde verhouding met Duitsland. Tegelijkertijd woonde hij een groot deel van de tijd in Berlijn.


Der Feldweg 1-1-17, Armando, 2017

De stille chique kunst in de Memento Mori opstelling van Silvia B, volgend op de Armando zaal, past hier wonderwel bij: verscheurdheid achter een gepolijst oppervlak, de tijdelijkheid van alles.

Schatkamers
In de Schatkamers is de kunsthistorische thematische collectie gepresenteerd. Hoewel bij de kassa goed wordt uitgelegd waar de Schatkamers zijn, blijft het even zoeken. De verbinding tussen beide vleugels is de Gobelinzaal met  ‘Koninklijke Gobelins’ die  Jan Herman van Heek in 1927 van koningin Emma kocht. In Enschede 1 staat er meer informatie over deze tapijten als ook over de geschiedenis van de collectie en de band met de familie Van Heek.


Gobelinzaal, de kroonluchters zijn van Bernard Heesen

Portretten en dubbel portretten
Er zijn twee mooie kabinetten met Portretten en Pendant Portretten. Pendanten zijn portretten die bij elkaar horen, over het algemeen een echtpaar, soms zijn het ook twee losse schilderijen met de man naar links en de vrouw rechts Er is onder andere werk van Friedrich Tischbein, de grote Duitse portretschilder uit de tweede helft van de achttiende eeuw. Hij kwam af en toe ook naar Holland om hier de adel en de gegoede burgerij te schilderen, zoals Johannes Lublink en zijn vrouw Cornelia Rijdenius in ca 1790. Lublink was een belangrijk politicus ten tijde van de Bataafse Republiek.
Er zijn twee zestiende-eeuwse portretten waarvan bekend is wie het zijn, maar onbekend wie ze heeft gemaakt: het echtpaar Cornelis van Campene en Joziene van Puttem uit Gent. Cornelis was een rijke zijdekoopman die zich na de vroege dood van Joziene volledig ging wijden aan sociaal dienstbetoon. Maar hij was ook een belangrijk chroniquer van zijn tijd.  Samen met zijn broer beschreef hij uitermate realistisch de gruwelijke plunderingen en verwoestingen tijdens de Gentse beeldenstorm door de geuzen van 1566 tot 1571. Op de website van het museum staat een link naar het boek. Het is een opmerkelijk verhaal, weliswaar geschreven in middel-Nederlands, maar na een paar pagina’s hardop voorlezen wordt het langzamerhand begrijpelijk.

Cornelis van Campene, 1557 en Joziene van Puttem, ca 1554, maker onbekend

In de zaal met Portretten door de eeuwen heen valt natuurlijk meteen de grote roze half naakte vrouw van Jan Sluijters Halfnaakt (vrouw van de schilder) uit 1912 op. Grappig genoeg komt er een mooi evenwicht in die hoek van de zaal door de combinatie met het wat tuttige Bruidsportret dat Pieneman in 1841 van Agatha Petronella Hartsen schilderde. Sluijters vrouw hangt licht bleu, maar zeer onverschrokken tussen al die keurige oudere dames en heren. Slechts William Faulkner van Emo Verkerk (uit 1987) lijkt haar wat steun te bieden. Op de korte muur tegenover Sluijters is er een grappige combinatie drie oudere klassieke  portretten met het portret dat Bart van der Leck van zijn oudste dochter maakte. Ze is eerder een patroon van geometrische vormen dan een herkenbare weergave. Vlak daarbij is al weer een werk van Emo Verkerk dat je bijna over het hoofd ziet, namelijk het portret van  Georges Simenon. Het is puur suggestief: je ziet een pijp die uit de muur steekt en pal daarboven een goudkleurig geschilderde neus.


Zaaloverzicht zomer 2018: Portretten met links in het midden Jan Sluijters. Rechts hiervan een jonge vrouw door Arnoldus van Ravesteyn (1651) en vervolgens na de hoek het bruidsportret door Jan Willem Pieneman. Daarboven hangt William Faulkner van Emo Verkerk en daarnaast onder andere Portret van Richard Mabott, toegeschreven aan Hans Holbein de Jonge

18e-eeuws Arcadie
Bij zulke bijzondere combinaties merk je met hoeveel plezier de conservatoren hun collectie tentoonstellen. Rondom een recente aankoop van vijf grote 18de-eeuwse landschappen is het thema Arcadië gemaakt, het altijd zonnige land van grote schoonheid en rust. Ze worden samen met zilverwerk getoond. Opeens realiseerde ik me dat we deze achttiende-eeuwse elegantie ten onrechte maar al te makkelijk afdoen als decadent, kunst die geen vernieuwing doormaakt.
Deze vijf enorme schilderijen van Jurriaan Andriessen hingen oorspronkelijk in een ‘kamer in het rond’ van een Amsterdams grachtenpand. Zo werd de idylle van een rustig, warm en stralend buitenleven in huis gebracht. Het is een mooie manier om uit de dagelijkse werkelijkheid te treden. Tegenwoordig zetten we voor zo’n ervaring een Virtual Reality bril op. De landschappen doen Zuid-Europees aan door de bijzondere bomen, beplanting, ruïnes, tempeltjes en mensen, groot en klein, gekleed in toga’s. Er spreekt een gedistingeerde verfijning uit zo’n ensemble.


Zaaloverzicht zomer 2018: het thema Arcadië

De combinatie met het grote zilver bruikleen van de Martens-Mulder Stichting maakt de zaal af. Hoogtepunt is wat mij betreft de zilveren tazza, een zilveren pronkwijnbeker, van de Utrechtse Zilversmid Christiaen van Vianen uit 1628. Door het flonkerende zilver en de soepele ronde lijnen lijkt alles, zelfs zonder wijn, in beweging.


Tazza, Christiaen van Vianen, 1628


Detail: Tazza, Christiaen van Vianen, 1628

Op de rand ligt een mollig verzaligd glimlachend mannetje samen met een geitje zijn roes uit te slapen. Hij heeft zijn beker, of glas nog in de hand. Er is niet alleen een enorm vakmanschap vereist om dit in zilver te kunnen maken, er is evenveel oefening en concentratie nodig om hier wijn uit te drinken! De combinatie van grote geïdealiseerde arcadische landschappen en zulke sierlijke voorwerpen, associeer ik niet meteen met Hollandse interieurs waarvan het idee bestaat dat het log zwaar en donker is. Des te leuker is deze ontdekking.

Landschappen
In de collectie zijn prachtige zestiende- en zeventiende-eeuwse Zuid Nederlandse landschappen. Er is een mooi viertal van de zonen van de oude Bruegel: Pieter Brueghel de Jonge en Jan Brueghel de Oude.


Landschap in de 17e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden: in het midden Pieter de Jonge; rechts Jan Brueghel de Oude en links samen Jan B. met Joos De Momper

In de loop van de late Middeleeuwen wordt het landschap als zelfstandig genre ontwikkeld. Het landschap wordt als het ware losgemaakt uit de schilderijen met Bijbelse verhalen zoals de Volkstelling in Nazareth, of de Vlucht naar Egypte. Langzamerhand wordt het landschap autonoom en vaak aangevuld met scènes uit het dagelijks bestaan. Hoewel dat dagelijkse leven vaak is geïdealiseerd, zijn ze sociologisch interessant omdat ze een idee geven van hoe het in die tijd toeging. In het landschap van Jan Brueghel hangt een desolate stemming: mensen maken een zware en gevaarlijke reis, de omgeving is kaal en in de lucht hangt het smerige groenige licht van naderend onweer.


Heuvelachtig landschap met voetvolk en huifkarren, Jan Brueghel de Oude, ca 1610

17e en 19e eeuw
In de Schatkamer Het landschap is een interessante muur gemaakt waarvan de eerste indruk is dat het allemaal landschappen uit dezelfde periode zijn. Niets blijkt minder waar.
Het is voornamelijk werk uit de zeventiende en negentiende eeuw. Toch is die eerste associatie is niet vreemd. De negentiende-eeuwse Nederlandse schilders beroepen zich op de zeventiende eeuw toen het ‘ideale’ Hollandse landschap letterlijk door de schilders werd samengesteld uit verschillende tekeningen. Wat in die tijd nog niet alom bekend was. Dit landschap was dus geen werkelijkheid, de kunstenaar componeerde het in zijn atelier. Het doel was niet de werkelijkheid te laten zien, maar de schoonheid of kracht van Gods schepping.  Om de digitale vergelijking van daarnet door te trekken: het was als een ambachtelijk staaltje copy paste photoshop.


Zaaloverzicht zomer 2018 Landschap, van links naar rechts onder meer Gabriel, Schelfhout, Avercamp, Jacob van Ruisdael, Mauve, Jacob van Strij, Roghman, Salomon van Ruysdal, Koekkoek en Jan Weissenbruch. Het kleine schilderijtje helemaal links is van Gainsborough

Langzamerhand ontstonden verschillende types met en zonder witte bolle wolken, met of zonder vee of mensen, soms ook bij een ruïne of aan een rivier, met warm licht, of juist kille ijstaferelen. Ook ging men anders schilderen. Bij Schelfhouts grote Winterlandschap (1858) valt, net als in de zeventiende eeuw, nog geen toets te ontdekken. Een dertigtal jaar later bestaan het Polder Landschap van Gabriël en Weissenbruchs Molens aan een vaart, beiden Haagse School schilders, louter uit toetsen. Daarom werd hun werk indertijd rommelig gevonden en net zo lelijk als men een eeuw later de Cobra schilderijen vond!

Het mooie van deze twee collectie presentaties is de spanning tussen de Schatkamers en de uiterst persoonlijke interpretaties van de kunstenaars bij Ars longa Vita brevis. Zo kun je het eigen bezit ook laten zien!

NB
Nogmaals de collectie geschiedenis wordt uitgebreid besproken, met foto’s en filmpjes uit de opstelling van 2017 in Enschede 1. mp Collectiegeschiedenis Rijksmuseum Twenthe

Informatie en voorzieningen

Rijksmuseum Twenthe

Lasondersingel 129-131, 7514 BP Enschede

W website museum
T 053 201 2000
di t/m zo 11.00-17.00 uur, kijk op de website voor actuele informatie

bereikbaarheid
van station Enschede ruim 10 min lopen
parkeren bij het museum, info op website: plan uw route, parkeren
collectie informatie
folder niet gevonden voor de vaste collectie
zaalteksten heldere informatie in de Schatkamers over thema en collectie
presentatie collectie onorthodox door kunstenaars presentaties onverwacht
route informatie duidelijke plattegrond bij kassa die is nodig!
digitaal - app niet gevonden
vriendelijkheid
suppoosten
winkel
kinderactiviteiten
in het museum, informatie op de website bij plan uw bezoek
er was een eigen ruimte, ik kon hem nu niet vinden. Even op de website zoeken
museumwinkel
assortiment assortiment uitgebreid, met (duurdere) bizondere juwelen en tassen
kunstboeken redelijk uitgebreid
kinder-kunstboeken goed
grappige kleine cadeautjes vielen niet zo op
museumrestaurant
prijs/kwaliteit goed met lokale producten
menu goed brood, goede karnemelk, aardige bediening . Na 3 uur is de voorraad beperkt.
wc
schoon bij kassa en eethuis
makkelijk te vinden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.