Op weg naar de kunst

Bestel hier onze: Gids naar Nederlandse musea Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Laren, Noord-Holland, Singer Museum en de Nardinc collectie

Beperking leidt tot diepgang
Een eeuw geleden stond aan de Oude Drift 1 in Laren een bescheiden, maar toch ruime villa De Wilde Zwanen van William en Anna Singer. Hij schilderde in het atelier en zij verzamelde kunst van tijdgenoten. Beiden waren erfgenamen van Amerikaans grootkapitaal. (Niet de Singer naaimachines, maar ijzerwerken.) Ze konden het zich permitteren bezig te zijn met hun passie: de beeldende kunst.
Anna verzamelde ook na Williams dood in 1943 nog steeds door. In 1956 schonk ze alles aan de gemeente Laren. Later kreeg het huis aan de ene kant een museumzaal en aan de andere kant een concertzaal. De medewerkers werkten in de oude villa.
Inmiddels is Singer Laren een begrip geworden, zowel de concertzaal als, en daar ligt onze belangstelling, het museum. Op 8 maart 2022 opende Prinses Beatrix de nieuwe Nardinc vleugel. Nardinc is oude naam voor het gebied tussen Naarden en Laren. De Larense villa van Jaap en Els Blokker heette Nardinclant. Het echtpaar verzamelde samen kunst, ze werden gesteund en geadviseerd door Renée Smithuis een voormalig galeriehouder en vriendin.

Mevrouw Blokker besluit in 2018 na gesprekken met Jan Rudolph de Lorm, de directeur van het Singer Museum, haar collectie aan het museum te schenken. Hoewel het gebouw in de loop van de tijd was uitgebreid, is het te klein voor een permanent onderkomen van de nieuwe collectie. Dus verbindt ze aan haar schenking ook de uitbouw / verbouwing van een nieuwe museumvleugel. Eerlijk gezegd was ik wat huiverig voor een weduwe die haar collectie zelfs een eigen onderkomen wilde geven. De verhalen over bezitterige verzamelaars met hun schenkingen aan musea zijn legio. Niets is minder waar, de nieuwe Nardinc vleugel door Bedaux en Brouwer Architecten voegt zich bescheiden in het bestaande complex. Het valt niet op dat er een oude uitbouw voor is afgebroken.
De herinrichting van bestaande zalen kon door de corona sluitingen naar voren worden gehaald, zodat die nu naadloos bij de vijf nieuwe zalen aansluiten. De vloer werd doorgetrokken, de doorgangen van de zalen kregen extra houten accenten, de plinten springen iets terug voor de door mij zo geliefde ‘zwevende wanden’. Je ziet het niet, maar merkt de aangename ambiance wel degelijk.  Al het ruis van veiligheid tot verwarmingen is weggewerkt. Een zelfde eenheid tussen oud en nieuw valt ook op in de uitgebreide binnentuin van Oudolf.
De lage uitbouw van de nieuwe vleugel sluit organisch aan bij het oude deel. De lange baksteen en de mooie pannen onderstrepen de eenheid met de oudere delen. In de tuin zie je dat de robuuste schoorsteen van de nieuwe Nardinc vleugel herinnert aan de kern van het complex: de oorspronkelijke Singer villa De Wilde Zwanen. Onder die schoorsteen zit het Tuinhuis, het nieuwe restaurant voorzien van een elegante houten lambrisering net als in de oorspronkelijke villa, maar dan zoals wij het tegenwoordig graag zien.


De uitbreiding van de Nardinc vleugel en de Oudolf tuin.

Twee sterke collecties, samen één
Daarmee hebben drie vrouwen een bizonder monument samengesteld: Anna Singer, Renée Smithuis die al in 2015 haar collectie Bergense School aan het Singer schonk, en Els Blokker. Anna en haar man verzamelden bevriende, ook internationale kunstenaars uit de tijd zeg maar 1870 tot 1930. De Nardinc Collectie gaat over de Nederlandse Modernen, zeg maar 1905 – 1950 met een enkele uitzondering na die tijd. De Blokkers verzamelen Nederlands, of eigenlijk lokaal Goois. Het Larense werk van Jan Sluijters is met 40 schilderijen het anker. Tegelijkertijd kochten ze tijdgenoten van Sluijters uit Laren en als contrapunt uit Bergen, maar ook andere schilders. Zo is het Singer door deze schenking het museum met een prachtig overzicht van de snel veranderende figuratie uit de eerste decennia van de 20ste eeuw.

Heel bewust is de lijn naar abstractie uitgesloten. De Nardinc Collectie concentreert rond een vrolijke figuratie, de sombere werken uit de jaren 30 zul je hier niet vinden. Een relatief onbekende periode uit onze kunstgeschiedenis krijgt mooie aandacht.


De AJC-optocht, Johan van Hell, 1928.

Jan Sluijters
Het werk van Jan Sluijters (1881-1957) is het middelpunt. De Brabander Sluijters komt uit een semi-artistiek milieu, zijn vader was houtgraveur en zincograaf. Na hun verhuizing naar Amsterdam in 1895, volgt hij de bekende weg van een jongen die de kunst in wil. Eerst de driejarige HBS. Vervolgens de opleiding tot tekenleraar, in 1901 krijgt hij zijn MO tekenen. Hij is dan gediplomeerd tekenleraar, maar zal geen lesgeven. Hij gaat naar de Rijksacademie, daar leert hij Leo Gestel, Chris LeBeau en Bart van der Leck kennen. Jonge kunstenaars op zoek naar een andere kunst dan de inmiddels gezapige Haagse School die hier nog steeds het kunstleven domineert.
Sluijters talent wordt herkend en hij krijgt in 1904 de Prix de Rome, een reisbeurs van vier jaar. Het eerste jaar bezoekt hij uitgebreid Italië, dat was de bedoeling van de Prix de Rome, waar hij geacht wordt beroemde kunstwerken te kopiëren.


Vrouw met Rode Hoed (Bertha Langerhorst), Jan Sluijters, 1905.

Hoewel men in Amsterdam niet helemaal tevreden is met het resultaat van die eerste reis, krijgt hij wel het geld voor het tweede jaar weer en kan hij weer weg. Na Spanje gaat hij naar Parijs. Hij bezoekt er o.a. de Salon des Indépendants van 1906, de jaarlijkse tentoonstelling van onafhankelijke schilders, de avantgarde uit die tijd. Hij is met name onder de indruk van Kees van Dongen, inmiddels een bekende Parijse kunstenaar. Sluijters maakt voorstudies voor een groot schilderij: Bal Tabarin, met dansparen onder goudgele elektrisch lichtexplosies. In de Nardinc Collectie zit een vergelijkbaar schilderij uit deze tijd: Café de Nuit, Café Olympia. Dat modernisme gaat de heren van de Rijksacademie te ver en Sluijters krijgt geen reisgeld meer voor de volgende jaren.


Café de Nuit, Café Olympia, Jan Sluijters, 1906.

In het Parijse café zijn de feestende figuren als in een middeleeuws schilderij omgeven door nimbussen van sprankelend licht. Dit licht, slingers van elektrische gloeilampen, zijn een nieuwe belangrijke nieuwigheid rond 1900. Wij kunnen ons niet voorstellen dat zo’n smak licht in de nacht tijdgenoten verbijsterde. Het maakte rond de vorige eeuwwisseling een enorm feestgevoel los, een nieuw savoir vivre. Deze opwinding laat Sluijters zien. (En dat vonden ze op de Rijksacademie niet zo gepast.)

Moderne Kunstkring
In de volgende jaren raakt Sluijters weer bevriend met Gestel, die Mondriaan kende. De jonge kunstenaars exposeren in Domburg in het kleine paviljoen dat Jan Toorop er jaarlijks laat opzetten. Toorop is al rond de vijftig, zijn reputatie in binnen- en buitenland is groot. De belangrijke kunstcriticus Conrad Kickert raadt hen aan een eigen vereniging te beginnen: De Moderne Kunstkring. Toorop wordt op hun verzoek de voorzitter. Hun werk wordt vaak Luminisme genoemd.
In de volgende jaren zoekt Sluijters een weg naar vergeestelijking: de werkelijkheid zoals we die waarnemen, hoeft niet meer geschilderd te worden. Kunstenaars, schilders, moeten de achterliggende, een diepere, werkelijkheid laten zien.


Composition de fleurs, Jan Sluijters, 1913.

De Nederlandse Luministen stonden niet alleen in deze speurtocht. Ze onderzochten op allerlei manieren het internationale avantgarde jargon. Ze gebruikten de vormen van de Kubisten, de kleur van de Fauvisten en de beweging uit de schilderijen van de Futuristen. De Duitse Expressionisten hadden de jeugd opgeroepen tot een nieuwe kunst. Kandinsky schreef over de geestelijke betekenis van vorm, lijn en kleur. Dit is het persoonlijke en internationale kader waardoor Sluijters en zijn vrienden worden geïnspireerd. We zien het ook bij andere jonge kunstenaars uit die tijd, denk aan Mondriaan, Van der Leck en Van Doesburg met hun zoektocht naar een andere werkelijkheid,

Eerste keuze
De tentoonstelling Jan Sluijters en de modernen is een eerste thematische keuze uit de collectie van het echtpaar Blokker: Feest in de eerste zaal, Kleur in de tweede, Vorm in de derde, Naakt in de vierde zaal en Portret in de laatste. Els Blokker ontdekte dat het belangrijk is je eigen voorkeur te volgen, goed rond te kijken en raad te halen. De collectie krijgt diepgang door beperkingen zowel in tijd en als door thema’s die de schilderijen op een spannende manier onderzoeken en combineren.
In de eerst zaal hangen schilderijen van de oudere Kees Maks (1876-1967) naast Sluijters werk. Maks’ Madeleine-Bastille Omnibus, waarschijnlijk uit 1902, is één en al levendigheid en lawaai: de paardentram dendert in volle vaart op een regenachtige avond door Parijs. Waarom regenachtig? Omdat dan al weer het kunstlicht op de natte straat weerspiegelt.


Madeleine-Bastille Omnibus, Kees Maks, ca. 1902.

(Wie ooit in de Amsterdamse Stopera naar de parkeergarage liep, heeft daar wellicht Maks grote schilderij gezien: Modellen in het atelier, een feestelijk gezelschap voor een circuspiste met paarden.) Kleine circus schilderijen hangen ook in deze zaal. Maks figuren zijn minder vluchtig dan bij Sluijters, ondanks de beweging die ook zij hebben. Ze bezitten een fascinerende bijna zware degelijkheid. Maks bevriest ze als het ware.

Kleur en Vorm
Natuurlijk krijgen kleur en vorm in een expositie over deze moderne kunst ieder een eigen zaal. Vorm was sinds de Kubisten een wankel begrip. Zij wilden tegelijkertijd de voor- als ook de achterkant van een onderwerp laten zien. Als het ware een beweging in het stilstaande vlak. Bovendien weerspiegelde kleur, sinds Van Gogh, een uiterst individuele kijk op de werkelijkheid.
De Hollandse Luministen bouwden hun schilderijen op met vormen en kleuren die hen het beste uitkomen. De werkelijkheid is in die zin ver te zoeken, ze is wel herkenbaar maar geeft een vertekend beeld waarmee de kunstenaar zijn eigen beleving van het onderwerp geeft. Sluijters laat in ‘Zaagmolens te Amsterdam, tegen de avond’ de laatste resten van zo’n stralende zomerse zonsondergang zien. Die hangt boven het liggende blok aan de linkerkant en wordt afgesloten door de  verticale houtzaagmolen rechts. De witte rand van het trapgeveltje rechtsonder vangt nog net wat zonlicht op de sierlijke bogen.


Zaagmolens te Amsterdam, tegen de avond, Jan Sluijters, 1907.

Bekijk je het kleine schilderijtje zorgvuldig dan zie je hoe levendig en ritmisch Sluijters de lucht opbouwt. Het gele zonlicht flitst horizontaal door het schilderij en daarboven zet hij verticaal kleine lichtgroene toetsjes en er onder lichtblauwe. Als je dichterbij komt, zie je hoe hij de lucht opbouwt met penseelstreken en korte tikjes verf. Je beleeft de dynamiek van het schilderen en van zo’n stralend kort ogenblik.


Detail, Zaagmolens te Amsterdam, tegen de avond, Jan Sluijters, 1907.

Jan Toorop had veel eerder bij Seurat het Pointillisme, de stippel-techniek, gezien. ‘Avond’ (voor de werkstaking) uit ca 1888/9 is een sociale aanklacht, een atypisch onderwerp voor de Pointillisten. We zien een vertwijfeld echtpaar. Voor de werkstaking geeft het kader aan: de uitgemergelde mijnwerker en zijn vrouw, hij met blote voeten, zij een baby op haar schoot, aan de vooravond van – al weer een onbetaalde- stakingsdag. Zij zitten daar in contrast met de noestig werkende arbeiders achter hen.


‘Avond’ (voor de werkstaking) Jan Toorop, ca1888/9.

Toorop schilderde ‘Avond’ etc naar aanleiding van zijn verblijf in de Borinage, het Waalse mijngebied waar Van Gogh tien jaar eerder werkte. De sombere omgeving wordt gedomineerd door de grote mijnen wat de vertwijfeling van het echtpaar over een keuze tussen het zware, onderbetaalde werk, of een stakingsdag zonder steun, beklemmend weergeeft.
Het is  eigenlijk een vreemd schilderij in deze zaal, ware het niet dat Toorop rond 1900 zo belangrijk voor deze jonge kunstenaars was. Hij fungeerde niet alleen als de schakel met de Parijse avantgarde, hij was bovendien een genereuze collega die hen hielp door leerlingen aan te dragen, of verkooptentoonstellingen in Domburg samen met hen te organiseren. Daar verbleven zomers indertijd welvarende binnen- en buitenlandse badgasten.

Vorm als extra dimensie
Deze schilders realiseren zich in deze tijd dat foto’s en later film de werkelijkheid goed laten zien en dat ze dus moest zoeken naar een andere waarheid, een ‘universeele waarheid’, zoals Mondriaan het noemde. Of  zoals ook Sluijters zei: “een geestelijke schildering”.  Sluijters en zijn vrienden maakten daarbij gebruik van min of meer recente verworvenheden uit de internationale kunst: van het Cubisme de vorm opgebroken in vlakjes, van de Italiaanse Futuristen de beweging in het schilderij en van de Fauvisten de hevige kleuren. De Nederlanders maken schilderijen waarin het onderwerp nog herkenbaar is. En als dat niet zo is, helpt de titel je goed op weg, zoals bij Sluijters’ schilderij Het Ontwaken, uit 1913. Lees je de titel, herken je de vrouw.


Het Ontwaken, Jan Sluijters,1913.

In deze zaal zien we mooi werk van vrijwel vergeten schilders zoals Jaap Weijand, Jakob Nieweg, Arnout Colnot en Mommie Schwarz.


Heuvellandschap, Mommie Schwarz, ca.1912.

De laatste twee horen bij de Bergense School. Hun kleuren zijn expressief en vaak ongemengd zoals in het Heuvellandschap dat Mommie Schwarz rond 1912 maakte.

Naakt en Portret
In de laatste zalen hangen Het Naakt en Het Portret. Inmiddels kijken we niet meer op van vrouwen met groen oogwit en paarse strepen in hun haar.


Portret Greet van Cooten, Jan Sluijters, 1910.

In het kader van de tentoonstelling is het vroege portret dat Sluijters zeven jaar eerder van zijn zuster Louisa schilderde opvallender. Hij maakte het voor zijn toelating aan de Rijksacademie, het is nog klassiek glad geschilderd, geen penseelstreek te ontdekken en zeer natuurgetrouw.


Louisa Sluijters, Jan Sluijters, 1903.

En ook hier is er weer een verrassing: een voor zijn doen bijna expressionistisch laat zelfportret van de klassieke fijnschilder Dick Ket.


Zelfportret met baret, Dick Ket, 1939.

Zulke atypische schilderijen maken nieuwsgierig naar de rest van de Nardinc Collectie.

NB.
Bij de opening van de Nardinc Vleugel is een goed boek over Sluijters en de modernen verschenen dat zowel over de Nardinc Collectie gaat, maar vooral over Sluijters en zijn tijdgenoten.
Auteurs: Jan Rudolph de Lorm, Roby Boes, Caroline Roodenburg-Schadd, Henk van Os en Anne van Lienden.
Uitgever: Singer Laren

PS
Wie vooruit denkt, bestelt bij de boekhandel reeds voor verjaardagen en feestdagen voor de leukste familieleden, de beste vrienden en de aardigste buren, onze:
Gids naar Nederlandse musea, Op weg naar de kunst   (Na de reclame komt ons verhaal.)
Auteurs: Micky Piller en Kristoffel Lieten; Uitgever: Waanders in de Kunst.
Blijvend actueel door de QR-codes in het boek die verbinden met deze site die we regelmatig bijwerken en de site van het museum!
Aangezien het Singer Museum pas sinds 2022, de opening van de besproken Nardinc Vleugel, altijd delen uit de eigen collectie kan laten zien, staat het museum niet in het boek, maar wel hier op de site!

Informatie en voorzieningen

Singer Museum
Oude Drift 1; 1251 BS Laren
W Singer Museum
T 035 5393939
di t/m zo 10.00-17.30 uur, horeca en beeldentuin: di t/m zo 09.30 – 18.00 uur. SVP altijd voor vertrek de website van het museum nakijken!

bereikbaarheid
Eigen vervoer is handig
groot, gratis eigen parkeerterrein naast het museum.
collectie informatie
folder leuk
zaalteksten goede informatie
presentatie collectie mooi en zorgvuldig
route helder
digitaal, niet aanwezig in museum wel veel informatie op de website
vriendelijkheid
suppoosten
winkel
kinderactiviteiten
op de website staat veel info
regelmatig Open Atelier, zie website museum onder Open Atelier
museumwinkel
assortiment uitgebreid
kunstboeken breed spectrum
kinder-kunstboeken leuk
veel (kleine) kunstzinnige cadeautjes
museumrestaurant
Tuinkamer Nardinc Vleugel goed lunchassortiment
gevarieerd en goede kwaliteit
wc
schoon
makkelijk te vinden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.