Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Groningen: Groninger Museum

Keramiek, Zilverwerk en De Ploeg die schildert
Dit is het eerste Nederlandse museumgebouw dat de indruk wekt geen museum te zijn. Aan de buitenkant herken je niet dat hier tentoonstellingen zijn te zien. Dat blijft opmerkelijk. In 1987 schonk Gasunie 25 miljoen gulden voor de bouw. Frans Haks, die in die tijd de directeur was, koos de Italiaanse postmoderne ontwerper Alessandro Mendini als hoofdarchitect. Een commissie bepaalde de plek van het nieuwe museum: pal voor het station in het Verbindingskanaal. Daar ligt het als een lang gerekt eiland: de toegangspoort tot het oude centrum. Zelfs met slecht weer valt de grote goudgele toren nog steeds op. In het ingewikkelde gebouw worden de vier hoofdcollecties van het museum: archeologie en geschiedenis van Groningen; kunstnijverheid; oude en hedendaagse  beeldende kunst geëxposeerd.


2015, detail van de buitenkant

Het gebouw
Wat ik me nog van de opening herinner, is dat die collecties er wel waren, maar dat je vooral goed moest zoeken om ze te vinden. Behalve de kunstnijverheid en dan vooral de enorme collectie keramiek die kreeg een in het oog springende eigen plek. Pas veel later ontdekte ik dat de andere eigen collecties ook in die enorme ronde schijf van Starck zijn ondergebracht, maar dat merkte ik niet. Die zalen zijn dan ook traditioneel langwerpig of vierkant, terwijl boven de keramiek in een bizondere ronde zaal staat. Er zijn in het gebouw bijzondere doorkijkjes en opvallende plekken: ik ben nog nooit in een museum geweest waar de waterspiegel op borsthoogte ligt, of waar de trap vanuit een bepaalde hoek een hart vormt.

Tegelijkertijd leidt het gebouw minder af dan ik in andere musea meemaakte waar ramen op vreemde plekken zitten, of zalen mallotig taps toelopen. Hier zijn de meeste verrassingen in neutrale ruimtes aangebracht: de hal, gangen, verbindingen van het ene naar het andere gebouw. In de expositie ruimtes is, behalve in het ontwerp van Coop Himmelb(l)au, weinig van exuberante buitenvorm te merken. Die grote expositieruimte van Coop Himmelb(l)au is een rampen zaal voor min of meer klassieke tentoonstellingen. Er werden ooit schermen geplaatst om schilderijen op te hangen. Voor installaties daarentegen functioneert de ruimte goed, omdat installaties die vaak speciaal voor die ruimte worden gemaakt en of aangepast. Zo’n ongepolijste ruimte kan het werk beter tot zijn recht laten komen dan een keurige museumzaal. Ik dwaal af, in die ruimte worden geen delen van de vaste collectie meer getoond, maar worden juist tijdelijke tentoonstellingen gehouden en dat is niet het onderwerp van Op weg naar de Kunst. De eigen collectie zit dus in het linker, ronde, gebouw. Zie de doorsnee hieronder van het complex.

Onverwachte zaal, slimme oplossingen
Er is vindingrijk omgesprongen met de onverwachte bouwelementen. Philippe Starck ontwierp een groot rond gebouw als een platte ronde (pottenbakkers-)schijf. In de ronde bovenste etage werd vanaf het begin kunstnijverheid getoond en inmiddels zijn dit vooral keramiek presentaties uit de eigen collectie.


Wegwijzer van de afdeling kunstnijverheid.

Door de ronde muren ontstaat het probleem waar en hoe zet ik mijn vitrines neer? Starck loste dit in één groots gebaar op: hij zette als het ware een binnen-schil van glas voor de ronde muur. Zo krijg je het gevoel naar prachtige zwevende schatten te kijken.


Zaaloverzicht 2016

Om dit te accentueren drapeerde Starck -tegen alle regels van het moderne museumwezen in- half doorzichtige witte gordijnen. Zo’n dramatische opstelling kan helemaal verkeerd uitpakken, maar hier word ik telkens nieuwsgierig en wil op onderzoek uitgaan: wat staat daar wel niet verstopt?
Ondanks het gevoel van een overvolle schatkamer, is er rust in de opstelling en wordt bij allerlei onderwerpen goede informatie gegeven. In feite is hier de ideale museale ruimte ontstaan waar keramiek, vaak de verstekeling van een collectie, een prachtige plek krijgt. Je wordt er uitgedaagd het werk beter te bekijken. Hoewel het tijdelijke opstellingen van de eigen collectie zijn, is het begrip tijdelijk wel heel rekbaar in Groningen. De meeste presentaties stonden er een aantal jaar. Lange tijd was deze zaal een eerbetoon aan de eerste conservator keramiek: Minke A. de Visser (1898 – 1966). De Visser is de grondlegster van deze afdeling. Ze was streng en verzamelde vooral Chinese en Japanse exportkeramiek voor de Nederlandse markt. Haar werk is van groot belang voor de “Collectie Nederland”, ons openbaar kunstbezit. Dit blijkt ook uit de samenwerking die de afdeling kunstnijverheid van het Groninger Museum is aangegaan met het Rijksmuseum, het Gemeentemuseum Den Haag en het Keramiekmuseum Princessehof uit Leeuwarden. Dat zijn drie collecties van internationale allure.

Zaalovericht 2016

Pronkjewails, design uit heden en verleden
Tot 23 maart 2020 heeft de gastconservator John Veldkamp de grote ronde zaal ingericht ter ere van het 25 jarig bestaan van het Starck paviljoen. Veldkamp is van groot belang voor de collectie; hij had ruim dertig jaar in Groningen de designwinkel John John’s. Daar maakte de kunsthistoricus Haks kennis met een nieuwe manier van presenteren en de combinatie van kunst met hedendaags design, kunstnijverheid. Veldkamp zet in de ronde Starck vitrine allerlei kleine stilleventjes. Sommige zijn een eerbetoon aan Alessandro Mendini, de hoofdarchitect van het museum, en zijn collega’s als Philipe Starck, Aldo Rossi en Ettore Sottsass van het Italiaanse Memphis Design. De laatste haalde in 1980 jonge internationale ontwerpers  bij elkaar die gebruiksvoorwerpen van zoutvaatjes tot lampen en boekenkasten ontwierpen. Daarbij gebruikten ze combinaties van dure en goedkope materialen, asymmetrische vormen en felle kleuren. Beneden in dit gebouw is nog tot 31 december 2019 een Memphis tentoonstelling uit het eigen bezit.


Een ‘stilleven’ met Alessandro Mendini objecten.

Andere groepjes bestaan uit bruiklenen van particuliere collecties, of andere musea. Zo is het een afwisselende zaal geworden. Er staan opvallend veel porseleinen figuurtjes uit de Beierse Porzellan Manufaktur Nymphenburg. Er is werk van Plateelfabriek De Ram in Arnhem (beide begin van de 20ste eeuw), oud Chinees en Japans aardewerk en porselein uit de eigen collectie en objecten en servies van Rosenthal.


Porselein van de 17e- tot en met de 20e-eeuw uit China, Duitsland en Nederland.

De kleine stilleventjes zijn intiem ingericht zoals je dat thuis zou doen bij je eigen verzamelingen. De klap op de vuurpijl is een grote zwart wit foto van en met de choreograaf Hans van Manen, met een naakte man op zijn schoot zoals Maria haar dode zoon vasthoudt. De foto heet dan ook Piëta naar die schilderijen. Er naast hangen zwart witte bloemen foto’s van de Amerikaanse fotograaf Maplethorpe die in 1989 op porseleinen schotels zijn gedrukt.


Piëta, Hans van Manen, analoge afdruk; en schotels uit de ‘Flower Suite’, Robert Maplethorpe, 1989, bruikleen particuliere collectie.

Zilverstad
In Groningen doen ze wel meer bijzondere dingen, dat laten we zien in het filmpje: “Doorheen de tijd” dat iets verder in deze bespreking staat. Zo is er De Schatkamer waar ze een verblindende installatie met hun zilverwerk opbouwden. Ook hier is goed nagedacht over de publieksvoorlichting.

IMG_4025 IMG_4023 IMG_4019

Ik vind het leuk dat juist de twee toegepaste kunst tentoonstellingen, de Zilveren Stad en de keramiek, eruit springen door hun onorthodoxe opstelling en de goede voorlichting. Het hele Starck paviljoen, beide verdiepingen, is volledig gewijd aan de eigen collectie: opstellingen met oude en moderne schilderkunst, zilverwerk, fotografie en Italiaans post modern design. In het hart liggen de zalen van De Ploeg, de beroemde Groninger kunstenaarsvereniging, opgericht in 1918. Er is een tijdlijn gemaakt over de rijke geschiedenis van de provincie Groningen.  Hoewel het een vaste opstelling zijn, kunnen soms veranderingen in de presentaties plaatsvinden door bruikleenaanvragen, of nieuwe aankopen. “Er vindt een trage verandering in de opstellingen plaats”, zo vertelde conservator Egge Knol.

Schilderijen met betekenis
De allereerste zaal van de eigen collectie hangt vol met koppen en een paar landschappen. Soms is er relevante informatie zoals bij het schilderij van het dode kindje waarin wordt verteld dat dit een baby is uit een oude rijke katholieke Groninger familie. Dit blijkt al uit het feit dat het portret is geschilderd, want dat kostte ook toen al veel geld. Bovendien heeft het kindje van de symbolen van Jezus: het IHS, de eerste letters van Jezus in het Grieks, zijn in het dekje geborduurd, met daarbij het palmtakje.


Onbekend Kind, Jan Jans de Stomme, ca 1615-1657/58

Zulke duidelijke verwijzingen naar het katholieke geloof waren, net als het katholieke geloof zelf, verboden in het midden van de zeventiende eeuw. Daar stond een boete op in deze jonge protestantse samenleving. Dus kun je concluderen dat de familie bereid was een kostbaar portret te laten maken en dat de boete kennelijk ook nog betaald kon worden. Ondanks al deze historische kennis, ontroert het me dat iemand besloot het doodskleed van gouden sterren te voorzien.

Dat kindje ligt daar zo maar alleen tussen geleerde heren en dames zoals Ubbo Emmius, (Prof. Dr.) en Aletta Jacobs, de eerste vrouw die ooit in Nederland studeerde en Samuel van Houten, de man die het beroemde kinderwetje indiende in 1873. Er zijn wat stijve stadsgezichten en een familie die ook al om hun dode baby rouwt. In dit laatste schilderij wijst de vader waarschijnlijk op een passende bijbel tekst, zodat we beseffen dat ondanks het verdriet, er altijd een hogere beschikking is. Het is een overvolle zaal, waarin je veel kunt ontdekken, maar waar het moeilijk is uit te vinden wat nu eigenlijk de opzet van deze ruimte is: sociaal kritisch, of kunsthistorisch, of lokaal belang? Of is het de diversiteit van het dagelijks bestaan? Dan toch altijd wel een diversiteit die zich in de betere kringen van herenboeren en notabelen afspeelde, want zij konden de kunstwerken betalen.

Rubens, Sweerts, Mancini
De derde ruimte is, zoals we in het filmpje zagen, de zaal met “De Meesterwerken”. De directeur van het museum, Andreas Blüm, zegt over deze schilderijen collectie: “Het is een verzameling die zich qua omvang niet kan meten met die van de grote musea in de Europese hoofdsteden, maar wel een overzicht biedt van de schilderkunst tussen 1600 en 1900.” Dat klopt, kijk even naar het filmpje.


Jongenskopje, Michael Sweerts, 17e eeuw

Dit is de enige zaal waar de inleidende tekst naar mijn smaak iets te ronkend is. Ja het is een overzicht en ja dankzij de kunsthistoricus Hofstede de Groot hangen er een mooie studie van de relatief onbekende Michael Sweerts, (1618-1664) en een schets van Rubens. Rubens is fantastisch in zijn schetsen. Vaak spreekt zo’n schets me meer aan dan het schilderij dat uiteindelijk naar zo’n schets in zijn atelier werd gemaakt. (In dit geval hangt het werk in het Prado, te Madrid.)


Aanbidding der Koningen, Pieter Paul Rubens

Rubens is fantastisch in zijn schetsen. Vaak spreekt zo’n schets me meer aan dan het schilderij dat uiteindelijk naar zo’n schets in zijn atelier werd gemaakt. (In dit geval hangt het werk in het Prado, te Madrid.)
Wat is het uitgangspunt van deze presentatie? De ‘Namen’, of de kwaliteit van het werk? Namen zijn niet atijd een garantie voor kwaliteit. Het is mooi zowel een schilderij van Paul Gauguin, als ook een klassiek Jan Van Goyen rivierlandschap te kunnen laten zien. De Gauguin is atypisch, dus geen lieve dames uit de Stille Zuidzee, maar een huisje met boom een beetje op de manier zoals Magritte dat veel later zou maken. Ik kan in de presentatie geen lijn ontdekken, geen voorkeur. Het is een toevallige collectie. Dat komt natuurlijk doordat een groot deel van het bestand uit schenkingen en legaten bestaat. Het museum kan blij zijn dat er zulke goede schenkers als Hofstede de Groot en de Mesdags en Van Houtens bij waren. Blüm is terecht trots op zijn Rubens, maar het grootste deel in deze zaal is goede gedegen kunst, geen topniveau. Werk waarvan je in een particuliere collectie zou zeggen goh, leuk een mooi schilderij. Gelukkig is er die prachtige Rubens’ schets, de zeldzame studie van Sweerts en een verrassing uit de negentiende eeuw: een intrigerend portret door de Italiaanse schilder Antonio Mancini, 1852-1930.

Mancini werd onder andere door Van Gogh bewonderd, die zijn werk uit de collectie van Hendrik Mesdag kende. Mesda verhuisde samen met zijn schilderende vrouw Sientje naar Den Haag waar hij een interessante collectie opbouwde, Wie niet weet dat de Groningse schilder Hendrik Jan Mesdag sinds 1885 Mancini financieel ondersteunde en zijn werk verzamelde, vraagt zich af hoe deze melancholieke en toch wel aantrekkelijke dame hier komt. (In het Mesdag Museum in Den Haag hangt nog meer werk van deze schilder.) Ook hier wordt een mooi detail in de begeleidende tekst verteld: het ruitjes patroon dat in de verf is te zien, houdt verband met het raster dat Mancini voor zijn onderwerp zette. “Het was hem daarbij niet per se om de details te doen, maar meer om het aanbrengen van structuur in grote, nagenoeg abstracte vlakken.” Zo kun je toch verrast worden bij de Meesterwerken.

Foto’s Micky Piller

 

Het land en zijn schilders: De Ploeg
Groningen is een van de mooiste provincies van dit land. In de zomer, juli, augustus, lijkt het wel het Frankrijk van vroeger: tweebaanswegen met tunnels van bomen, een machtig land zwaar en loom dat onder een strak blauwe hemel ligt, of waar in de herfst de zon, wolken en storm voortdurende het licht laten omvallen. Ede Staal zingt Geef mie dien blues en ik weet weer waarom ik hier zo graag ben. “Moi,” zeg je tegen vreemden op de fiets en dan bedoelen we goedendag. Ik heb op een late zomeravond hazen zien rammelen (boksen) op een grasveldje bij een bank. Groningen is altijd mooi en anders.
De eerste kunstenaars die dat echt lieten zien, waren de mannen en de vrouw van De Ploeg. De kunstenaarsvereniging werd in 1918 opgericht. Ze kozen deze naam omdat ze al vermoedden dat er nog heel wat geploegd zou moeten worden voordat de  hedendaagse kunst voet aan wal kreeg in Groningen. De eerste belangrijke omslag kwam nadat Jan Wiegers in 1921 terugkwam van zijn, door de leden van De Ploeg betaalde, verblijf in een sanatorium te Davos. Daar ontmoette hij de Duitse schilder, beeldhouwer en houtsnijder Kirchner die al in 1905 de jeugd had opgeroepen modern te worden. Kirchner was een van de vaders van het Duitse expressionisme waarin gevoel vorm en inhoud van een werk bepaalt. Kirchner richt in Dresden zijn eigen beweging op: “Die Brucke”.

Groninger landschap met kanaal, Jan Wiegers, 1923
Groninger landschap met kanaal, Jan Wiegers, 1923

Twee mannen komend uit een café aan het Boterdiep</em>, Jan Wiegers, 1924
Twee mannen komend uit een café aan het Boterdiep, Jan Wiegers, 1924

De Brücke schilders gebruiken het perspectief niet meer academisch correct, ze werken met voor die tijd vreemde extreme kleuren. Hun onderwerpen liggen dicht bij huis: zelfportretten en portretten van hun vrienden (niet dus van rijke opdrachtgevers), het landschap direct in de buurt van Dresden dat in vuur en vlam lijkt te staan en het bezoek aan een vijver op een warme zomerdag met naakte meisjes en blote mannen. Dat waren toch al geen onderwerpen die men leuk boven de bank hing, maar de kleuren en de ongepolijste stijl werden ronduit vreselijk gevonden.
Toen Wiegers Kirchner ontmoetten was diens allereerste heftigheid wel weer vervlogen, maar Kirchner woonde in Davos in een bizonder ingericht huisje waarin leven en werk versmolten tot een eenheid. Hij gebruikte nog steeds vreemde perspectieven en kleuren. Die omslag zien we meteen terug bij de leden van De Ploeg. Het Groninger landschap en vooral het stuk ten noord-westen van de stad, het Reitdiep, wordt een land waarin de horizon vaak hoog ligt en de kanalen vertikaal door het schilderij lopen. Toch is het landschap niet het belangrijkste thema van deze schilders. Het portet is wellicht nog belangrijker zoals in een mooie zaal is te zien.


Zaal met portretten, 2015

Hier hangen ook de ‘duel-portretten’ van twee schilders die elkaar portretteerden zoals Jan Wiegers en Johan Dijkstra in 1926 en 1927 en Job Hansen en George Martens. Jan Altink schilderde een aantal andere Ploegleden waaronder  de grote Groningse drukker en kunstenaar Hendrik Werkman.  Ik vind het een ontroerend portret omdat de stoere vanzelfsprekendheid uit de andere portretten, ontbreekt. Hier zit een lieve, bedachtzame man. De gevoeligheid uit zijn druksels, is hier al te zien. Er draait een aardige documentaire die Henk van Os inspreekt. Van Os studeerde kunstgeschiedenis in Groningen, was er hoogleraar en werd nog later directeur van het Rijksmuseum. De Ploeg kunstenaars betekenen veel voor hem.

Vlakbij De Ploeg wordt de rijke geschiedenis van Groningen gepresenteerd. Van het Klooster van Arduard tot en met het zilverwerk dat de herenboeren lieten maken, heeft alles een plek in het leven, de geschiedenis en het museum.

Moderne kunst en Post-Modernisme
Natuurlijk moet het museum aandacht besteden aan hun collectie Post-Modernisme die is aangekocht door de bedenker van het huidige Groninger Museum, Frans Haks. Zoals op de website staat: Van groot belang voor de uitstraling van het Groninger Museum waren Haks’ aankopen van het postmoderne Italiaanse design van groepen als Alchimia en Memphis, en met name van de twee invloedrijke voorlieden van deze spraakmakende stroming in de jaren tachtig: Alessandro Mendini en Ettore Sottsass. Zij hadden in de wereld van de vormgeving een schok teweeg gebracht door op zeer provocerende wijze het modernistische ‘form follows function’ overboord te gooien.
Zij erkenden niet dat het in vormgeving vooral ging om functionaliteit, ‘eerlijk’ materiaalgebruik en een taboe op toegevoegde decoratie, maar stelden juist fantasie, overvloedige decoratie en een vermenging van verschillende disciplines daarvoor in de plaats. Mendini ontpopte zich ook als theoreticus en was een vurig pleitbezorger van het opheffen van de scheidslijnen en de hiërarchie tussen architectuur, design en autonome kunst. Toen Frans Haks de mogelijkheid kreeg een nieuw gebouw voor het Groninger Museum te ontwikkelen, deed hij dat samen met Mendini, wiens ideeën van groot belang waren bij de uiteindelijke vorm van het Groninger Museum.”

De opstelling met postmodernistisch design. Foto Micky Piller
De opstelling met postmodernistisch design.

Mendini en Haks provoceerden met hun gebouw en wilden tegelijkertijd de pluriformiteit van de beeldende kunsten benadrukken. Er was geen pikorde en geen belangrijkere tak van sport. Maar in het dagelijks gebruik is langzamerhand de jolige overmoed van het post-modernistische tijdperk ook wat uit het Groninger Museum gesleten. We zien integere opstellingen waarin de collectiegeschiedenis eer wordt aangedaan en de bezoeker de ruimte krijgt zelf op onderzoek uit te gaan.
Wie naar de provincie Groningen gaat en het museum bezoekt, zal de opstelling van delen uit de vaste collecties verrassend vinden. Het is een museum met een eigen mening, een eigen smoel.

Bewaren

Informatie en voorzieningen

Groninger Museum

Museumeiland 1, 9711 ME Groningen
W groningermuseum.nl
T 050 3 666 555
di t/m zo 10.00-17.00 uur

bereikbaarheid
makkelijk met OV tot station CS Groningen
parkeren achter het museum
collectie informatie
folder
zaalteksten
presentatie collectie
route informatie - prachtige pictogrammen
digitaal - app werkte niet bij mij
vriendelijkheid
suppoosten
winkel
kinderactiviteiten
in het museum, soms, informatie op website moeilijk te vinden
eigen ruimte / atelier
museumwinkel
assortiment
kunstboeken
kinder-kunstboeken
grappige kleine cadeautjes
museumrestaurant
prijs/kwaliteit
menu
wc
schoon
makkelijk te vinden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.