Gouda, Gouds Museum
Zuid-Holland
Gouds Museum, zoektocht met verrassingen
Amsterdam was rond 1600 zo rijk dat belangrijke kunstenaars, aangetrokken door het kapitaal van mogelijke opdrachtgevers, daar naar toe kwamen. Hetzelfde gold voor Haarlem en Delft, maar Gouda? Het is wellicht vergeten, maar Gouda kreeg al in de twaalfde eeuw stadsrechten. De stad was door haar ligging op het kruispunt van twee rivieren een overslagplaats geworden en daardoor een belangrijk economisch centrum. Net als elders liep de financiële ontwikkeling samen met een culturele bloei. Dat is nog steeds te zien aan het bijzondere stadhuis op de markt en in de Sint Jan, de grote kerk vlak achter die markt. In dit oude centrum ligt Museum Gouda.
Het museum heeft meer dan 40.000 objecten, waaronder een aantal grote altaarstukken, maar ook kleinere religieuze schilderijen zoals de prachtige Verkondiging aan Maria van Pourbus uit 1552, en een aantal schutterstukken. Het museum kreeg door een schenking een prachtige verzameling schilderijen van de Haagse School en van Barbizon. Natuurlijk is er aandacht voor het beroemdste Goudse product (naast de stroopwafel, het Gouds plateel, en de Goudse kleipijpen.
Bloeiend Gouda
De entree van het museum, Achter de Kerk 14, ligt achter de Sint Janskerk bij de Grote Markt. Via het Lazarus poortje en de beeldentuin kom je bij de ingang. Het Lazarus poortje is vernoemd naar een reliëf uit 1609 met de parabel van de rijke man en de arme Lazarus. De rijke die niet aan naastenliefde deed zal lijden in het dodenrijk en de arme Lazarus vindt rust in de hemel.

Het Lazarus reliëf bij de ingang aan de kant van de Sint Janskerk
Ook in Gouda ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw belangstelling voor het lokale verleden. Dus wilde men net als in het nabije Den Haag een eigen museum voor de vele historische voorwerpen die de stad in bezat. Naast beelden en schilderijen waren dat munten, zilver en glas. Het Stedelijk Museum kwam er uiteindelijk in 1874. Na de Tweede Wereldoorlog werd de collectie ondergebracht in het Catharina Gasthuis. Dit gebouw was in de 14de eeuw de opvanglocatie voor landlopers; later werd het een ziekenhuis. Sinds 1980 is de oude Gasthuiskapel uit 1474 bij het museum getrokken.
Zo’n oud gebouw met een kapel en een grote zaal en met een binnentuin achter het gebouw is charmant, maar is moeilijk voor nieuwe bezoekers er de weg te vinden. (Let op er zijn nog geen liften, maar daar wordt aan gewerkt.)
Het museum Gouda heeft een aantal bijzondere afdelingen. Zo zijn er bijvoorbeeld een intact bewaarde Apotheek en een Chirurgijnskamer, het laatste met twee schilderijen van Jan Steen (over medische beunhazerij) en het prachtige Doodsbed van een kind, 1645, van Van der Helst). In de 17e-eeuw was de kindersterfte hoog, deze ouders lieten een van de beroemdste schilders, Bartholomeus van der Helst ( 1613-1670 ), dit lieve portretje maken. Niemand dacht in die tijd dat het een slapend kindje was, door het stro onder het beddengoed en een uitgedoofde fakkel aan zijn voetjes, begrepen tijdgenoten dat dit een dood kindje is. De plek in de Chirurgijnskamer is natuurlijk heel passend. ( Overigens is dit schilderijtje een bruikleen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een mooie toevoeging aan de collectie.)

Doodsbed van een kind, Bartholomeus van der Helst, 1645
Hoewel iedere suppoost je graag weer op weg helpt, ontbreekt het overzicht: je kunt alleen van het ene gebouw naar het andere via de bovenetage of via de tijdelijke tentoonstellingsruimte. Met een plattegrond in de hand kun je je weg enigszins vinden, ook naar de kleinere ruimtes.

De trap in de Grote Zaal
Inrichting
Museum Gouda is niet het enige museum met een grote en diverse collectie. Om dit op te lossen koos het museum voor een originele oplossing. Ze werken met een depotopstelling: zonder al te veel extra informatie zijn er heel veel schilderijen opgehangen in een soort doolhof constructie. Aan muren en rekken hangt een grote hoeveelheid kunstwerken. Sommige stukken krijgen extra informatie. De constructie is zo groot en de tussenruimte zo smal, dat je eigenlijk alleen op ooghoogte en van dichtbij het werk kunt kijken. Bij grote schilderijen sta je, als je niet oppast, tegen kunstwerken aan de andere kant van het gangetje!

De depotopstelling.
Hier en daar staan kleine vitrines staan met bijvoorbeeld tientallen Goudse pijpen en miniatuur aardewerk. Bij die verzameling Goudse pijpen zitten opmerkelijke exemplaren.

Goudse pijpen alom
Lokale musea moeten altijd schipperen tussen lokale kunst, geschiedenis en kunstnijverheid. Er is hier ook een kleine deelcollectie met houten speelgoed. De turfstekers uit de omringende gebieden maakten het in de winter om bij te verdienen. Uiteindelijk kwam er in Waddinxveen zelfs een fabriek die het speelgoed produceerde. Dat is een van die kleine grappige lokale accenten die je in zo’n grote algemene presentatie ontdekt.

Hondenkar uit de Speelgoedfabriek, Waddinxveen, 1790-1845.
Een bizonder schilderij
Enigszins verloren tussen de andere depotstukken hangt een prachtig klein portret van de wat vergeten Zuid-Nederlandse 17e-eeuwse schilder Michael Sweerts: De Spinster. Sweerts (1618-1664) werkte in Rome en Brussel en zou ook een tijdje in Amsterdam hebben gewerkt. Uiteindelijk vertrok hij als lekenbroeder naar Azië en overleed in het Portugese jezuïeten klooster in Goa, India.

De Spinster, Michael Sweerts, 1656.
In het gouden licht dat Sweerts gebruikt krijgt de eenvoudige spinster de allure van een prinses. Het licht-donker effect is waarschijnlijk geïnspireerd door Caravagio. De doeken om haar hoofd geven haar allure, de spintol lijkt wel een wapen en tegelijkertijd benadrukt de glimp van het haardvuur, rechts achter haar, de huiselijkheid.

Details De Spinster, Michael Sweerts, 1656.
In een aparte zaal wordt de geschiedenis van Gouda verteld op grote muurteksten rond een enorme grote maquette met de plattegrond van Gouda in 1562. Toen floreerde de katholieke stad Gouda nog. Na de bevrijding van de Spanjaarden en de katholieken en de overname door strenge calvinisten verzonk de stad in armoede.
Vrouwen in de kunst
Josine de Bruyn Kops die van 1976 tot 1986 directeur van het museum was, kreeg de opdracht een verzameling hedendaagse kunst op te bouwen. Ze was in 1977 een van de oprichtsters van de Stichting voor Vrouwen in de Beeldende Kunst (SVBK) en dus ging haar belangstelling uit naar vrouwelijke kunstenaars. Net als Liesbeth Brandt Corstius, een mede-oprichtster van de SVBK, die iets later directeur van het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem werd, kocht ze, bij gelijke kwaliteit, vooral werk van vrouwelijke kunstenaars. Zo verwierf De Bruyn Kops in 1985 Arbeidersvrouw met twee kinderen dat Charley Toorop in 1918 schilderde.

Arbeidersvrouw met twee kinderen, Charley Toorop, 1918.
Nu vrouwelijke kunstenaars bijna vijftig jaar later aan een opmars zijn begonnen, haalt het museum Josine de Bruyn Kops ( 1940-1987) weer van stal en wordt haar vooruitziende blik geprezen. Het is wel jammer dat niet op de context van de SVBK wordt gewezen. Nu wordt ze als een unicum voorgesteld, de geschiedenis weerspreekt dit.
Tijdens de tien jaar dat De Bruyn Kops directeur was, moderniseerde ze het museum op allerlei gebied. Zestiende-eeuwse altaarstukken werden gerestaureerd, ze bouwde de afdeling sier- en gebruiksaardewerk op, de collectie met Gouds Plateel. Die verzameling is tegenwoordig op een prettige educatieve manier op zolder ondergebracht. Naast diverse objecten uit de periode 1898-1984, is er ook aandacht voor de arbeidsomstandigheden waarbij het opvalt dat kinderarbeid zelfs nog in de vorige eeuw in Gouda voorkwam.

Een grote foto bij het Gouds Plateel, aardewerk
Pieter Pourbus
Pieter Pourbus (1523/24 – 1584) kwam uit Gouda en is in ons land waarschijnlijk een van de onbekendste Noord-Nederlandse kunstenaars uit de 16e-eeuw. Pourbus is een overgangsschilder van het oude Gotische jargon naar de Renaissance. Hij maakte prachtige schilderijen . Pourbus bleef niet lang in Gouda, hij verhuisde naar het nog rijkere Brugge, waar hij in 1543 als meester werd ingeschreven en hofschilder werd van Karel V. Hij was een breed georiënteerd kunstenaar die prachtige schilderijen maakte, in het begin nog onder invloed van Jan van Scorel. Hij maakte deel uit van het rijke Brugse leven, was lid van een rederijkerskamer, zat in besturen en ontwierp vestingwerken. Hij stichtte met zijn zoon Frans Pourbus en kleinzoon Frans II, zoals vaker in die tijd, een schilders-dynastie.
Het Museum Gouda kreeg door een schenking in 1953 toch een prachtige en bijzondere Verkondiging aan Maria van Pourbus in de collectie.

De Verkondiging aan Maria, Pieter Pourbus, 1552.
De aartsengel Gabriël vertelt Maria dat zij de zoon van God zal baren. In heldere kleuren, de typische Brugse manier van schilderen, zweeft een gekunstelde aartsengel Gabriël naar Maria om haar de boodschap te verkondigen dat zij Gods kind zal dragen. Dit herkende tijdgenoten meteen door de witte duif, het symbool voor de heilige geest, die naar Maria zoeft. Die duif, de boodschapper, lijkt haar bijna aan te vallen, zo venijnig vliegt hij naar haar toe.

Detail, De Verkondiging aan Maria, Pieter Pourbus, 1552.
Deze Verkondiging is het linker binnenluik uit een niet meer bestaand altaarstuk. Als je goed kijkt, zie je bovenin het schilderij nog een altaar met een drieluik waarop Eva de verboden appel plukt. De essentie van de Bijbel wordt hier in één schilderij samengevat: Eva die, verleid door de slang, de appel plukte en Adam die de appel at, en de aankondiging aan Maria van de komst van de verlosser van deze erfzonde . Voor ons is dit misschien gekunsteld, maar voor tijdgenoten, die bijbel-vast waren, was deze symboliek meteen herkenbaar.
Het 16e-eeuwse schilderij zit vol symbolische motieven niet alleen die duif en het kleine altaar. Een ander voorbeeld zijn de lelies in de vaas die zo prominent in de voorgrond staat. De lelie is het symbool voor de maagdelijkheid van Maria. Ondanks al die verwijzingen is het geen stijf schilderij; ook zonder al die duidingen zie je een intiem moment in het leven van een mooie jonge vrouw, die wat verbaasd, maar sereen haar lot aanhoort.

Detail, De Verkondiging aan Maria, Pieter Pourbus, 1552.
De kapel en de Grote Zaal met schuttersstukken
Een van de hoogtepunten in de stad is ongetwijfeld de Sint-Jan, de langste kerk van Nederland. In 1552 vloog de kerk door blikseminslag in brand. Alle beelden en schilderijen bij de 45 altaren gingen op in vlammen. Onmiddellijk werden nieuwe opdrachten voor het herstel van de gotische kerk gegeven. Door grote zestiende-eeuwse kunstenaars als Johannes Wtewael, Wouter en Dirck Crabeth en de Antwerpenaar Lambert van Noort werden glas-in-loodramen ontworpen. Opdrachten voor altaarstukken gingen naar Pieter Pourbus, Michiel Claesz, Dirck Barendsz en anderen. Hoewel de Tachtigjarige Oorlog al woedde en de geuzen vernielingen aanrichtten in de stad, bleef Gouda tot 1572 katholiek; daarna volgde een relatief gematigde remonstrantse overgangstijd. Uiteindelijk werd ook Gouda in 1618 na tussenkomst van Prins Maurits en de Staten Generaal gereformeerd. Overigens werd voor het vertrek van de katholieken uit hun instellingen toch nog een deel van deze kunstwerken gered. Zij hangen nu in de kapel achter de grote zaal met de schuttersstukken. Het zou heel jammer zijn het museum te verlaten zonder een tijd in de kapel te hebben doorgebracht.

Enkele van de grote altaarstukken in de – voormalige- Catharina- Kapel van het museum.
In een rijke stad was er voor de burgerverdediging natuurlijk een schutterij en die heren officieren wilden zoals dat gebruikelijk was, geschilderd worden. Dus heeft het museum in de Grote Zaal een aantal schuttersportretten bijeengebracht. Het zijn traditionele opstellingen waar de levendigheid en onderlinge interactie die we kennen van Frans Hals’ schuttersmaaltijden of Rembrandts Nachtwacht ontbreken.

De Grote Zaal met Schuttersstukken
De Krijgsraad der Goudse Schutterij onder leiding van kolonel Govert Suijs die Ferdinand Bol in 1653 schilderde, is een uitzondering. Bol was een leerling van Rembrandt en zet zijn personages, weliswaar glad-geschilderd, maar toch met schwung neer. Het is het grote schilderij aan de linkerkant op de foto hierboven.
Salon Arntzenius
In 1964 schonk de schilder Paul Arntzenius (1883-1965) zijn schilderijencollectie van de School van Barbizon (Franse schilders uit het midden van de negentiende eeuw) en de Haagse School (Nederlandse schilders uit de tweede helft van de negentiende eeuw) aan het museum. Er zit tot mijn vreugde een kleine groep werk van Willem Tholen bij. Tholen (1860-1935) was een tijdlang tekenleraar in Gouda.
Het echtpaar Tholen verhuisde begin 1890 naar de bovenverdieping van de ‘Kanaalvilla’ aan de Haagse Haringkade 167, tegenwoordig ligt hier Madurodam. De benedenverdieping werd bewoond door (mr. Abraham Robert) Bram Arntzenius, de griffier van de Tweede Kamer. Na het overlijden van zijn eerste vrouw, hertrouwde Arntzenius in 1885 met Cobi Witsen, de zus van de Amsterdamse School schilder Willem Witsen. Cobi was weer de beste vriendin van Coba Tholen, de vrouw van Tholen. De twee echtparen woonden met de zes kinderen uit Arntzenius’ eerste huwelijk in het grote huis.
Het schilderij van de twee lezende zusjes Arntzenius door Tholen hoort bij mijn lievelingsschilderijen. Je ziet hoe vertrouwd de schilder is met zijn modellen, de dochters van zijn vriend. Het kan de meisjes kennelijk niet schelen dat ze worden getekend, of geschilderd. Ze zitten en liggen geconcentreerd te lezen, ze schijnen niet eens op te merken dat ze poseren.

De gezusters Arntzenius, Willem Tholen, 1895
Als je even de tijd neemt het hart van het schilderij te bekijken zie je hoe wonderlijk de schilderkunst is. De schilder laat hier een dubbele werkelijkheid zien: 1. het plaatje van de meisjes op een zonovergoten bank, maar tegelijkertijd is het hart van het schilderij 2. een bijna abstracte compositie.

Detail: de boeken in het hart van De gezusters Arntzenius, Willem Tholen, 1895
Het ene meisje zit, het andere ligt half op een bank te lezen. Het licht valt van rechtsboven op de bladzijden, het tikt nog even het gelakte hout van de leuning aan waardoor de meisjes door een lichtlijntje verbonden lijken. Die verbinding wordt herhaald in de romige rechthoeken van de bladzijden. Je hebt het gevoel zowat door de bladzijde van het rechter boek heen te kijken.

Detail: het ritme van de golvende lijnen in De gezusters Arntzenius, Willem Tholen, 1895
Wat ik zo mooi vind, is dat je zowel al die vormen ziet,- de gebogen bladzijden, de golf van de leuning, de ovale hoofden, de blote ronde bovenarmen, de golf in het schort van het linker meisje. Kortom de driedimensionale wereld, maar tegelijkertijd ook die romige witte geabstraheerde bladzijden uit de twee boeken. Tholen zette deze vormen zo naast elkaar dat je de werkelijkheid herkent. Twee stappen minder herkenning en het schilderij zou vrijwel abstract zijn. Maar zo ver is het nog niet in 1895, de eerste abstracte schilderijen worden pas in het begin van de twintigste eeuw gemaakt.
Paul, één van de zonen Arntzenius, kreeg les van Tholen en werd ook schilder. Uiteindelijk schonk hij zijn collectie aan het museum. Die verzameling is nu samengebracht in de Salon Arntzenius, onder het motto: ‘Een monument van goede kunst’.
Al deze goede kunst is opgehangen zoals dat in de 19de eeuw, thuis, bij kunstenaarsverenigingen, in galerieën en musea: naast en boven elkaar muur bedekkend. Dat heeft als voordeel dat je in een beperkte ruimte heel veel schilderijen kunt ophangen, en het nadeel dat je als bezoeker niet weet van wie die schilderijen zijn. Maar er is een slimme oplossing bedacht: die informatie krijgt je door op tablets per muur een schilderij aan te tikken.
Barbizon en de Haagse School
In de verzameling Arntzenius zitten de Franse voorlopers van de Haagse School zoals Daubigny, Vollon, Felix Ziem en Georges Michel. Zij waren de modernste schilders van hun tijd. Ze horen bij de eersten die buiten gingen schilderen, in Barbizon, ten zuiden van Parijs. Ze schilderden nog wel met een fijne toets. Het is mooi werk, in Nederland weinig bekend. Deze Schilders van Barbizon inspireerden op hun beurt weer de Impressionisten, maar de Barbizon schilders werkten nog ‘netjes’ zonder opvallende toetsen.

De Druivenplukker, Daubigny, 1863
De Nederlandse schilders die rond 1870 aan hun carrière begonnen, gingen ook buiten schilderen maar gebruikten de techniek van de Impressionisten. Haagse School schilders als Weissenbruch, Roelofs, Gabriël en de al eerder beschreven Tholen, ze entten zich allemaal, ook de Fransen, op Nederlandse landschappen uit de zeventiende eeuw. Het verschil met die oudere schilderijen is dat de kleine schilderijtjes in de 19e-eeuw meestal ook echt buiten zijn geschilderd! Dat was een revolutionaire nieuwigheid en werd mogelijk door de uitvinding van de verftube. Daardoor waren en bleven in tegenstelling tot de zeventiende eeuw, alle kleuren tegelijkertijd beschikbaar waardoor de schilder ook werkelijk buiten naar de natuur kon werken.* Dit veranderde uiteindelijk de manier van schilderen: het moment, de weergave van een impressie werd belangrijk.

Stortbui nabij Gouda, Willem Roelofs, ca 1885
Het glad-schilderen, waarin je geen penseelstreek ziet, werd uiteindelijk vervangen penseeltoetsen en streken. De eerste reactie indertijd van de kunstkritiek en het publiek op deze grove manier van schilderen is te vergelijken met de ophef die, een eeuw later, rondom de Cobra schilders ontstond. Geen vakmanschap, ze rommelen maar wat an, geen detaillering etc, etc. Van een afstand zijn de bomen, dieren, planten en mensen nog wel herkenbaar maar dichterbij worden ze een als wolken: vluchtig en onscherp.
N.B.
* In de 19e-eeuw werden de grote landschappen nog steeds in het atelier geschilderd, dat was buiten niet goed te doen. Bovendien ontdekten de schilders al rap dat de kleine formaten die ze buiten maakten, heel gewild waren bij het publiek. Deze olieverf schetsen werden voorzien van een mooie gouden lijst met krullen en direct vanuit het atelier, of via de kunsthandel verkocht. De kwalificatie “zoete broodjes” is hier niet overdreven.
Mocht je op de veiling nog zo’n landschapje zien, kijk dan even of je in de hoeken geen punaise gaatje ziet. Dan heeft de schilder het doekje in de deksel van zijn schilderskist geprikt en het ter plekke gemaakt. Willem Roelofs schilderde ze soms zelfs in een bootje op het water. Authentieker kan de ‘historische sensatie’ van de (kunst-)geschiedenis, om Huizinga te parafraseren, bijna niet worden.
#Kunst, #Kunstwerk #Dagjeuit #museumonline #museumathome #Eropuit #dagjeweg #Museumbezoek #Cultuuruitje #Kunstliefhebber #Tentoonstelling #opwegnaardekunst.nl #ownk #musea #art #dutchmuseumsathome #eigencollectie #expositie #kunstgeschiedenis #beeldendekunst #kunstgids #museum #art #tentoonstelling #museumbezoek #kunstkritiek #openbaarkunstbezit #vlog #blogpost #gids #museumthuisopdebank #goudsepijpen #Haagseschool #MichaelSweerts #goudsegeschiedenis #pieterpourbus #Tholen
| Informatie en voorzieningen | |
|---|---|
Museum Gouda Achter de Kerk 14 (plus museumcafé) 2801 JX Gouda of Oosthaven 9 (plus museumwinkel) W Museum Gouda Website di t/m zo 11.00-17.00 uur, meer info op de website | |
| bereikbaarheid | |
| OV vanuit het station 13 minuten lopen | |
| Parkeerplek parkeergarage Q-Park Bolwerk, Sint Mariewal 3 en dan 10 min. wandelen | |
| 2,5 | |
| collectie informatie | |
| folder vaste collectie niet gevonden | |
| zaalteksten op gelamineerde vellen | |
| presentatie collectie niet opzienbarend | |
| route informatie ingewikkeld | |
| digitaal - app niet gevonden | |
| vriendelijkheid | |
| suppoosten zeer vriendelijk | |
| winkel is de vrouw/man achter de kassa | |
| kinderactiviteiten | |
| Zie website onder kinderen voor het actuele aanbod, leuke speurtocht | |
| eigen ruimte ziet er erg leuk uit | |
| museumwinkel | |
| assortiment op collectie gericht veel oude kunst 19e eeuw | |
| kunstboeken idem | |
| kinder-kunstboeken veel Nijntje | |
| grappige kleine cadeautjes minimaal | |
| museumrestaurant | |
| prijs/kwaliteit redelijk | |
| menu aardig, maar niet heel lokaal geen groot Goudse kaas assortiment, lekkere taart | |
| wc | |
| schoon | |
| makkelijk te vinden | |
Geef een reactie