Op weg naar de kunst

bespreekt de eigen collectie van musea in Nederland en elders.

Eindhoven, Van Abbemuseum

Moderne Kunst uit de 20ste eeuw
Het Van Abbe is het museum in Nederland waar je de moderne kunst van de 20ste eeuw kan zien. Het is er na de oorlog altijd in geslaagd bizondere directeuren aan te trekken waardoor het stoffige en wat dorpse karakter van de eigen collectie al snel op een ander plan kwam. Het oude gebouw werd in 1936 neergezet, gefinancieerd door de tabaksfabrikant Van Abbe. Begin deze eeuw werd een nieuwbouw toegevoegd aan de achterkant van het oude gebouw in de ellenboog van de Dommel, de rivier die door Eindhoven loopt.

In 1936 gaf Henri Van Abbe opdacht voor de bouw van een weinig opvallend gebouw voor zijn eigen kunstcollectie. Alleen het torentje boven de ingang valt op. Symboliek voor de Heilige Kunst?

Reliëf van de stichter vlakbij de entree

De collectie van Henri van Abbe is nog altijd aanwezig in het museum, hoewel niet het nieuwste van het nieuwste. Van Abbe verzamelde Isaac Israëls, Jan Sluijters, Carel Willink en Kees van Dongen. Die schilders waren minder gezapig dan de Haagse School die voor de oorlog nog steeds het Nederlandse kunstleven domineerde, maar het was ook niet echt de avant-garde.

Links: Schilder met zijn vrouw, Carel Willink, 1934 rechts: Liggend Naakt, Jan Sluijters, 1931, beide werken zijn schenkingen van Van Abbe.

Directeuren met lef en voorliefdes
De eerste directeur die slim handelend een Picasso aankocht was Edy de Wilde, de latere opvolger van Willem Sandberg in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Hij vond dat de Nederlandse collectie uitgebreid moest worden door internationale kunstwerken met aandacht voor de ontwikkeling van de avant-garde uit de 20ste eeuw. Deze kunst werd in Parijs gemaakt: Picasso Braque, Gris, leger, Giacometti waren de kunstenaars waar De Wilde naar op zoek was. Het was terecht dat hij die periode, beginnend bij het Cubisme en het Expressionisme, als uitgangspunt voor een nieuw collectiebeleid nam. Die kunst werd bijna 40 jaar later nog steeds schokkend, wild en kinderlijk gevonden. Dat is grappig want inmiddels hadden de Cobra Kunstenaars, de directe opvolgers van dit Expressionisme, al in die tijd voor dezelfde en luidere opschudding gezorgd.
Zo’n radicale keuze voor hedendaagse, buitenlandse kunst ging het College van B&W, de eigenaar van het museum en haar collectie, te ver. Het geeft wellicht het verschil aan tussen de stad en haar bewoners en de grootse werkgever het internationaal werkende Philips. Toch kreeg De Wilde zijn zin door een goed doorwrocht betoog in de gemeenteraad en kon hij vervolgens  in 1952 ‘Hommage à Apollinaire’ (1912) van Marc Chagall kopen. Dit werk werd het uitgangspunt van de zogenaamde ‘basiscollectie’: een kleine groep schilderijen, waarin naast het Expressionisme ook het Cubisme centraal stond.  In 1954 kocht hij ‘Femme en vert’ dat Picasso in 1909 maakte, een klassiek Cubistisch werk in groen, oker, grijs en bruin tinten.

Femme en vert, Picasso, 1909

Cubisme en Expressionisme als uitgangspunt
Deze twee stromingen uit het begin van de 20ste-eeuw vullen elkaar aan. De Expressionisten gebruiken in navolging van onder andere Van Gogh kleur en vorm op een totaal andere, emotionele manier dan de ‘traditionele’ figuratieve kunst. De Cubisten willen zowel voor- als achtergrond van het onderwerp tegelijkertijd laten zien. Zij doen dat door het onderwerp in vakjes, in ‘cubes’, op te delen. Door dit tweestromen-beleid kon Edy de Wilde een reeks belangrijke schilderijen aankopen voor de basiscollectie: onder andere Kandinsky, Kokoschka, Delaunay, Mondriaan, Braque en Gris.

Zicht op Murnau met kerk, Kandinsky, 1910

Die aankoop van “Femme en vert”, van Picasso (1909), voor slechts, omgerekend, € 50.000,- leidde al weer tot zware kritiek. Het werd De Wilde niet alleen kwalijk genomen omdat tweemaal het jaarlijkse aankoopbudget voor één schilderij werd betaald, maar dat vermaledijde internationalisme stoorde nog meer. In de huidige collectieopstelling hangen rondom het werk de krantenknipsels waaruit het protest spreekt: ‘Geen Picasso! Koop Werk Van Eigen Kunstenaars’. Klinkt toch verdacht veel naar eigen volk eerst …. Dat “Femme en vert”, een topstuk uit de collectie is, wordt door al dat lokale gescheld niet duidelijk.

Femme en vert, Picasso, 1909 in de opstelling van 2017

De Wilde kocht wel degelijk Nederlandse kunst: Charley Toorop, Van Campendonk, Willink en een prachtig schilderij van Herman Kruyder. Zo voeg je nationale en internationale top kwaliteit samen en ontstaat een spraakmakende collectie

De rol van het museum
De volgende directeuren waren ieder op hun eigen wijze specialist en bouwden de collectie uit met belangrijke kunstwerken. De Wilde werd in 1964 door Jean Leering opgevolgd,  een bouwkundig ingenieur. Het centrum van de kunstwereld was inmiddels uit Europa (Parijs) naar New York verschoven en Leering maakte tentoonstellingen met Christo (1966), Donald Judd, Andy Warhol (1970) en Bruce Nauman (1973). Tegelijkertijd keek hij naar de ontwikkelingen in het West Duitse Rijnland en exposeerde onder meer Joseph Beuys (1968) en Franz Erhard Walther (1972). Hij legde de basis van de verzameling minimal art van het museum met aankopen van inmiddels gerenommeerde kunstenaars als Flavin en Judd. Tegelijkertijd had hij net als de Wilde oog voor de inmiddels klassieke moderne stromingen. Hij maakte tentoonstellingen over De Stijl, het Russische Constructivisme en Marcel Duchamp, de grondlegger van de conceptuele kunst. Net als zijn voorganger verbond hij de geschiedenis  en actualiteit van de moderne kunst in het tentoonstellings- als ook aankoopbeleid. Daarin paste de 86 werken van Russische constructivist El Lissitzky  die hij in 1968 kocht.

Drie schilderijen in de tentoonstelling The Making of Art. Links een werk van Theo van Doesburg, Compositie XXII, uit 1922, in het midden een bruikleen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en rechts een tekening van Moholy-Nagy, Zwart en blauw kruis, ook uit 1922. Het linker schilderij en de tekening werden door Jean Leering aangekocht.

Uiteindelijk wilde Leering het museum veranderen in een forum voor publieke bewustwording en de sociale relevantie van de kunst duidelijk maken. Daar voelde de gemeente niets voor; hij werd in 1973 ontslagen.

Minimal, Nieuwe Expressionisten en Video’s
In 1975 kwam de Leidse kunsthistoricus Rudi Fuchs. Die schijnt op zijn eerste dag gezegd te hebben: “Zo, nu gaan we weer gewoon tentoonstellingen maken.” In de loop van de jaren kwamen er naast solo-exposities steeds meer thema-tentoonstellingen met ongebruikelijke titels, zoals “Uit het Noorden”. Fuchs toonde in deze reeks onverwachte combinaties van kunstwerken. Hij is een precieze kijker, een waarnemer die zakelijke vaststellingen over kleur en formaat en werkwijze van de kunstenaar combineert met herinneringen en emoties die het kunstwerk, of de kunstwerken bij hem op gang brengen.
Zijn hart lag bij drie belangrijke ontwikkelingen uit die tijd: Conceptuele en Minimal Art, zowel de Europese vorm de Arte Povera, als ook de Amerikaanse Minimal Art. Tegelijkertijd toonde Fuchs het zogenaamde ‘nieuwe schilderen’, of de “Nieuwe Expressionisten”, zoals deze Duitse schilders in navolging van mijn verhalen in de Haagse Post hier werden genoemd. Fuchs kocht schilderijen van deze kunstenaars, maar ook beelden van Long en Fulton. Hij breidde de collectie uit met nieuw werk van Daniel Buren, Donald Judd, Lissitzky, Dan Flavin, Carl André, Warhol en Beuys.

Twee doeken, 1973 en 1974, uit de Fragmente einer Rede über die Kunst 1965-1981, van Daniel Buren

De volgende directeur Jan Debbaut, 1988-2003 maakte als inhaalslag een aantal belangrijke aankopen waaronder een beeld van de Amerikaanse beeldhouwer Richard Serra, Broodthaers, Ger van Elk, Jan Dibbets en Bruce Nauman. Daarnaast kocht Debbaut  ook werk van Nederlandse kunstenaars waaronder Pieter Laurens Mol, René Daniëls en Henk Visch. Hij bracht videowerken in de collectie: Oursler, Douglas Gordon, en Marijke van Warmerdam.

Verwarring al om
In november 2017 bezoek ik het museum en denk dat we die grote namen uit de 20ste eeuw in de nieuwe presentatie van de collectie zullen zien. Er blijken twee delen te zijn. Op de eerste verdieping is ‘The Way Beyond Art’ over de rol van beeldende kunst in de maatschappij. Beneden staat ‘The making of Modern Art’ waar, als ik het goed begrijp, belangrijke tentoonstellingen uit het verleden kennelijk een leidraad voor de eigen collectieopstelling vormen.

Eerste zaal van The Making of Art, 2017

Tegelijkertijd  loop ik in een exposite waarin we de kunstwerken als een buitenstaander zouden moeten bekijken. In het voorportaal wordt namelijk uitgelegd dat het vertrekpunt Montesquieu’s Les Lettres Persanes (Perzische Brieven) uit 1721 zijn. Montesquieu beschreef zijn eigen tijd als een Perzische prins: “onbekend met de heersende gewoonten en gebruiken”. Dat is een mooi uitgangspunt om de eigen verzameling onbevangen te bekijken. Dan moet er wel precies worden uitgelegd wat je ziet, anders kan de bezoeker, de vreemdeling, er niets van begrijpen. Belangrijk ook: Montesquieu schreef Les Lettres Persanes voor zijn gelijken. Die precies wisten hoe de vork in de steel zat.
Tegelijkertijd vertelt “The making of Modern Art” (Waarom het in het Engels moet, is weer een andere vraag) het verhaal van de moderne meesterwerken uit de Van Abbe-collectie in een experimentele ‘making of’ van de moderne kunst.  Wat die Perzische Prins daarmee moet is onduidelijk.
Alsof die twee ideeën niet voldoende zijn, wordt er in een volgende zaal een derde concept overheen gelegd. Hierin wordt de tegenstelling echt versus kopie onderzocht. Verliezen kunstwerken hun functie door de vele kopieën die er van kunnen worden gemaakt. Deze centrale vraag naar de waarde van het authentieke kunstwerk werd me pas duidelijk door eindeloze teksten in de tentoonstelling te lezen en heel veel op het internet op te zoeken en een biografie over Alfred Dörner te bestellen. Ik begon het een beetje te begrijpen, maar dit is niet de ideale manier om de eigen collectie te presenteren.

Om deze vraag handen en voeten te geven wordt beeldmateriaal over “acht belangrijke tentoonstellingen uit de geschiedenis van de moderne kunst in het Westen” getoond. “

Het paard achter de wagen
Wat mij betreft heeft de staf zich bij de neus laten nemen door ene Walter Benjamin die kennelijk verbonden is aan het Museum of American Art uit Berlijn. Voor alle duidelijkheid:  geen enkel verband met het MOMA uit New York. Hij organiseert her en der tijdelijke exposities vol rommelige kopieën van beroemde kunstwerken. Deze Benjamin beroept zich op, of identificeert zich met de filosoof Walter Benjamin (1892-1940) die zich als eerste afvroeg of de waarde van het kunstwerk zou kunnen afnemen doordat het in de moderne tijd eindeloos (tegenwoordig zelfs digitaal) wordt gekopieerd. De platheid waarmee deze nep Benjamin die gedachte uitwerkt is bizar. De collectie van het Van Abbemuseum verdient beter. Te meer daar de echte Walter Benjamin in zijn essay uit 1936: Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit, juist uitlegt dat het kunstwerk door het handwerk van de kunstenaar altijd uniek is. Geen enkele kopie hoe technisch knap dan ook kan dit in zijn ogen evenaren!

Nageschilderde foto’s en kunst uit de Gertrude Stein collectie: avant-garde kunst verzameld in de eerste dertig jaar van de vorige eeuw.

Dat blijkt meteen na het voorportaal. Daar werkt het verhaal over de waarde van een kopie meteen al niet. Er hangt naast een abstract schilderij van Mondriaan een kopie van hetzelfde werk. We zagen dat het bezoekers helemaal niet opvalt dat er twee schijnbaar dezelfde schilderijen hangen. Toen ik een aardige mevrouw ernaar zag kijken, vond ze het pas  na mijn opmerking vreemd. Op mijn verzoek ging ze nogmaals kijken en zag het verschil. Ze kon ook uitleggen waarom de linker, die van Mondriaan, echt was: “Het leeft meer, die andere is vlak. Gewoon een raster patroon”. Een gouden antwoord, maar zonder betweter zoals ik, was het haar niet opgevallen. Ze ging meteen dezelfde vraag aan haar kleinkinderen stellen.

Welke is de ware?

Welke is de ware? Op een foto is dit niet te zien.

Een kopie is een kopie, is een kopie
Vervolgens wordt door middel van kopieën de onderdrukking van de beeldende kunst besproken: Entartete Kunst, of het late werk van Malewitsch. Elders volgen, al weer in kopie, baanbrekende tentoonstellingen uit New York, Berlijn en Hannover. Tussendoor hangen schilderijen van Kadinsky, Schwitters, Bracque, Leger, Gris uit de collectie. Die moet je zoeken; het kader waarin die geplaatst worden is ook voor de gastvrouwen die mij mochten voorlichten niet duidelijk. Hoe kan iemand die niet op de hoogte is van de ontwikkeling van de moderne kunst, hier in vredesnaam iets begrijpen? Zo verschraalt kunst tot vermaak.

Een impressie in kopie van de International Exhibition of Modern Art, assembled by Société Anonyme in het Brooklyn Museum uit November 1926 tot januari 1927

Dit gerommel is niet te vatten, want de staf kan werken met een zorgvuldig samengestelde collectie. Het Van Abbe slaagde er in voor te lopen op de actualiteit van de hedendaagse kunst door heel vroeg werk van belangrijke kunstenaars te kopen en te exposeren. Er is steeds kunst gekocht die de collectie zorgvuldig aanvult en uitbreidt. Ik word droevig van een instelling die een tentoonstelling maakt die onbegrijpelijk is door te veel statements door elkaar te laten zien. De buitenstaander, de onderdrukking van de avantgarde in de vorige eeuw en het belang al dan niet van een kopie. Hier wordt het paard achter de wagen gebonden.

De tentoonstelling op de eerste verdieping is even warrig, onduidelijk en tegelijkertijd ambitieus: “In welke samenleving willen we leven”, is de vraag die aan het concept “The Way Beyond Art” wordt gekoppeld. In de ene zaal hangen een paar werken van Constant Permeke. In een andere zaal, gewijd aan het thema arbeid, hangen drie (een boerderij van Herman Kruyder, landarbeiders van Victor Dolphijn en een treurige moeder met kind van Gustave De Smet) die enigzins over (land)arbeiders gaat, maar veel meer is er niet. Er hangt en staat van alles en nog wat, maar wat “Voorbij de ‘Kunst” nu eigenlijk betekent of wil zeggen blijft een raadsel. Op banieren aan het plafond lees je alle mogelijke kreten, die volgens het museum van de (Engelstalige?)bezoekers komen en die, zo zeggen ze, steeds worden aangepast. Het zijn uitspraken zonder antwoord en zonder verband met de kunst die er staat en hangt.

Navraag en verantwoording
Ik heb aan anderen gevraagd hoe zij The Making of Art en Beyond Art vonden. “Leuk,” was het antwoord, “er is zo zoveel te zien.” Als ik vroeg of het verschil tussen kopie en kunstwerk was opgevallen, was dat niet duidelijk. Dus kan de vraag of er een verschil is, niet worden gesteld, laat staan beantwoord. The Making of Art is een collectie presentatie. Waarom er zoveel verschillende dingen bijeen hangen, was ook voor de enthousiaste bezoeker niet duidelijk. “Veel gezien,” daar blijft het antwoord op hangen, maar wat er werd gezien of in welke context?? Dat is niet duidelijk. Hoewel ik van plan was niet over tentoonstellingen van de eigen collectie te schrijven die ik niet goed vond, maken we voor het Van Abbemuseum een uitzondering. Het is een belangrijk museum met een imposante collectie beeldende kunst uit de 20ste eeuw. Kunst, alle kunst, heeft nog steeds een kader nodig en een heldere uitleg. Daar heeft de bezoeker recht op. Dat ontbreekt ten ene male: goede kunst wordt verhaspeld in een gebrekkig ideologisch raamwerk.
Ik ben zo nieuwsgierig wat jij ervan vindt, laat het weten in een reactie.

Informatie en voorzieningen

Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, 5611 NH Eindhoven
W Van Abbemuseum website
T 040 238 1000
di t/m zo 11.00-17.00 uur; iedere dinsdag gratis van 15.00- 17.00 uur; 1e don. vd maand tot 21.00 uur. Actuele info op de website

bereikbaarheid
lopen 20 minuten van het station CS
parkeren in de omgeving van het museum
collectie informatie
folder niet gevonden
zaalteksten verwarrend
presentatie collectie verwarrend
route informatie het een loopt over in het ander
digitaal - app niet gevonden
vriendelijkheid
suppoosten
winkel
kinderactiviteiten
in het museum, soms, informatie op de website zijn moeilijk te vinden
eigen ruimte
museumwinkel
assortiment veel rondom eigen collectie
kunstboeken idem
kinder-kunstboeken leuk
grappige kleine cadeautjes ook aanwezig
museumrestaurant
prijs/kwaliteit goed en vriendelijke bediening
menu vegetarisch en anders onverwachte dingen
wc
schoon
in 2017 was er veel ophef over "gender neutrale" wc's, niet veel van gemerkt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.